ADELSRECHT

Koning Willem I heeft in 1814 de twee nu nog steeds geldende criteria vastgelegd voor de overgang van adelijke titels: wettigheid en afstamming.

Nog steeds kunnen daardoor uitsluitend binnen het huwelijk geboren kinderen de titel verkrijgen, niet de adoptiefkinderen en de natuurlijke kinderen, die de status van wettig kind hebben verkregen. Dat schept ongelijkheid in het gezin, tussen ouders en kinderen en soms ook tussen kinderen in een gezin, die dezelfde naam dragen en erfrechtelijk dezelfde positie bezitten. Hoe "historisch' ook, het criterium "afstamming' is loos. In zijn artikel "Herziening adelsrecht brengt ons chaos' schrijft J. Taets van Amerongen (NRC Handelsblad, 20 oktober), dat het juridisch bewijs voor afstamming door huwelijk wordt geleverd. Maar dat is onzin. Bewezen kan alleen worden dat een kind van de moeder afstamt. Daarom wordt een kind van een joodse vader en niet-joodse moeder niet als joods erkend.

De historische grondslag van de Nederlandse adel berust dus op een fictie, die al jarenlang tot onnodige discriminatie leidt. Zonder hypocrisie is "afstamming' bij opvolging in de mannelijke lijn niet bruikbaar. De mogelijkheid van kunstmatige inseminatie maakt dat nog duidelijker. Daarom kan in het huidige stelsel alleen wettigheid bepalend zijn. Het amendement Van den Burg erkent dat. Het houdt in dat adoptiefkinderen en natuurlijke kinderen met de status van wettig kind in de titel van hun vader opvolgen. Taets van Amerongen vergeet dit bij zijn Bommeliana. Het amendement beoogt slechts het afschaffen van een alleen door hypocrisie te rechtvaardigen ongelijkheid. De Eerste Kamer kan gerust zijn: het amendement Van den Burg houdt geen wijziging in van het historisch gegroeide adelsstelsel en zal zeker geen "chaos' brengen.

    • G. van Benthem van den Bergh