Adel

“U kent het vliegveld Hilversum? De eerste weg rechts van de ingang, dan meteen weer rechts en aan het eind zitten wij.”

Niet dat de stem geaffecteerd of uitgesproken Goois klonk, maar een Mercedes-sloperij vlakbij vliegveld Hilversum; je gaat je er wat bij voorstellen. Slagerijen, fietsenwinkels, wasserettes, je hebt ze van eenvoudig-volks tot deftig-duur, en waarom zou dat voor autosloperijen niet gelden?

Een nette Blaricumse familie, pappa is grootvader opgevolgd in het onroerend goed, een zoon als advocaat in New York, eentje als fiscalist in Brussel, dochter mooi getrouwd en runt een relatiebureautje, en Emiel, die nooit zo goed meekwam op school maar als kind al met een steeksleutel onder z'n kussen sliep, is op een verloren stukje land tussen de villa's van De Rading en het vliegveld een Mercedes-sloperijtje begonnen. Waar het een komen en gaan is van oude, maar glanzend gepoetste Mercedessen van de verarmende Gooise adel, die Wijnand de chauffeur uitgestuurd hebben op een goedkopere oplossing voor die lekke radiateur.

Juist, dus hier rechtsaf. Een fraai slingerend weggetje, geheel omkraagd door weelderig groen. Dit belooft wat. De sloperij als Franse tuin, waarom niet? Fraai bestrate paden, met de stapels wrakken in vierkante perken, omzoomd door hoge ligusterhagen. Palissades, omrankt met kamperfoelie, herbergen de motorblokken, aandrijfassen en ander klein spul. Hier en daar een groengebeitst rustbankje onder een pergola, waar Wijnand in alle rust het gezochte onderdeel kan losschroeven.

Halverwege het weggetje zitten vijf of zes meisjes te praten op hun brommertjes. Hier? Eigenaardig. Ze kijken me aan. Het is een graad of tien, twaalf, maar de zon schijnt, dus ik heb de kap open.

“Hee! Hebbieniekout?”

“Wat zeg je?”

“Veels te kaut, maan!”

“Nee hoor, ik heb de verwarming aan.”

“Ach zoe,” zegt een van de meisjes kwasi-bekakt, “hee hieft de verwurreming aen!” De meisjes kijken vol ontzag naar haar en giechelen. Die Manuela - ik noem maar iets - die durft toch maar.

Plots houdt het struweel op. Honderd meter voor me ligt de sloperij. Een stadje van roest. Roest, vet, rubber en blik. De weg loopt er middendoor en ook van links naar rechts lopen er straten doorheen. Tussen de bergen schroot en troep staan hutjes. Keetjes, caravans. Woonwagens. Sommigen worden bewoond, sommigen zijn voor de opslag, anderen lijken zich in een tussenstadium te bevinden. Links en rechts gaan deurtjes open. Mannen, jongens, ze komen kwasi-toevallig naar buiten - nieuwsgierig - en allemaal zien ze eruit als automonteurs aan het eind van de dag. Schoenen, broek, jek, gezicht, handen: zwart van de smeer.

Uit een zijstraat verschijnt een glimmende autoambulance, een verkreukelde witte Mercedes in zijn takels. Prooi, Bruto Nationaal Produkt voor dit ministaatje. Morgen of overmorgen zal hij van de aardbodem verdwenen zijn, de brokstukken onvindbaar verdeeld over dit metalen knekelveld.

Ineens begrijp ik de brommermeisjes. En wat ze zagen: weer zo'n kakmeneer. Wel in een dure auto rijden maar te gierig om die mistlamp gewoon bij de dealer te kopen. Hilversum, op het volgende kamp wordt dat een heel verhaal.

Ineens staat er een man voor me. Hij is groot, gezet, zijn dunne haar is dwars over zijn schedel gekamd en hangt aan gene zijde een beetje af. Hij draagt een oud maar onverwoestbaar herenpak, daaronder een pullover en een versleten overhemd met das. Op zijn neus staat een gouden brilletje en zijn rechterhand rust op een wandelstok. De burgemeester.

“Wel goedemiddag mijn heer,” zegt hij met een lichte buiging, “da's een bijzonder fraai automobiel dat u daar heeft. Ik zal u daar gaarne een klinkende prijs voor bieden.”

“Erg vriendelijk, maar nee dank u.”

Vroeger zou ik op dit moment bang geweest zijn. Nu weet ik: zij zullen mij niet opeten, ik ben hun boterham. Wat kan het leven heerlijk zijn.