Vitaal, duister en acrobatisch werk op Holland Dance Festival

Programma 1: Toevallig Absoluut, choreografie: Johan Greben, muziek: J.S.Bach, kostuums: Ton Verswijveren.

2.Generation, choreografie: Pieter de Ruiter, muziek: Vincent van Warmerdam, decor en dramaturgie: Joseph Semah, kostuums: Elles de Vries. Gezien: 21-10 Korzo Theater, Den Haag. Daar nog te zien 23-10.

Programma 2: Mehmet Sander Dance Company met Obtuse Space, Single Space, Inner Space, Initiation of movement, Pole en Board Stiff, alle choreografie en decors: Mehmet Sander, lichtontwerpen: H.C.Nichols. Gezien: 22-10, Theater aan het Spui, Den Haag. Daar nog te zien 23 en 24-10.

In het programma van het Holland Dance Festival wordt de aandacht behalve op oud en nieuw werk van binnen en buitenlands choreografen ook altijd gevestigd op jong talent. Dit jaar worden creaties gepresenteerd van de Nederlanders Johan Greben en Pieter de Ruiter. Greben heeft eerder opmerkelijk werk laten zien in de workshops van Het Nationale Ballet, waaraan hij als danser verbonden is en waarvoor hij twee aanmoedigingsprijzen kreeg. Pieter de Ruiter heeft na 6 jaar gedanst te hebben bij Introdans en het ballet van de Opéra te Lyon, gekozen voor een carrière als choreograaf en heeft als zodanig eveneens verscheidene onderscheidingen in de wacht gesleept. Op uitnodiging van het Korzo Theater maakte Johan Greben voor twee danseressen en een danser het 20-minuten durende Toevallig Absoluut, een puur dansstuk dat uitgaat van preludes en fuga's van Bach. Het is een speelse choreografie, opgebouwd uit solo's, duetten en trio's waarin de drie dansers op een milde manier elkaar uitdagen en aansporen.

De vloeiend doorlopende en levendige bewegingsstijl zit vol sterke accenten op geïsoleerde, snelle schouder-, arm- en rompbewegingen, die de vitale ritmische structuur van de muziek volgen. Met de lyrische aspecten daarvan heeft Greben meer moeite, hoewel hij wel verschillen in dynamiek weet aan te brengen. Verfrissend is het ontbreken van artistieke prententies en de onbevangen manier waarop de kundige, maar nog niet tot de dans-top behorende dansers Derrick D. Brown, Samantha Verstegen en Sara Wiktorovics het werk uitvoeren. Heel wat pretentieuzer is Pieter de Ruiters 2. Generation. Twee grote, cilindervormige objecten, die via trapjes te bereiken zijn, vormen het toneelbeeld. Zo nu en dan zitten de dansers daarop, zonder dat de bedoeling duidelijk wordt, zoals zoveel onduidelijk blijft in dit werk: de functie van de zangeres, het aan- en uitkleden van de dansers, het gebruik van Hebreeuwse tekst, die halverwege de voorstelling wordt uitgesproken. Het best is De Ruiter op dreef als hij zich met louter beweging bezig houdt, zoals in het beginduet. Daarin zijn twee mannen - de uitstekende dansers Peter Roël en Christophe Le Tellier - in praktische naaktheid aan elkaar gekleefd. Zodra De Ruiter van de beweging afwijkt verliest hij de greep op het totaal en valt de prikkeling en spanning die hij zo duidelijk beoogt juist weg. Bovendien blijft wat hij werkelijk wil zeggen volsterkt duister. Een sprekend voorbeeld van pretentie en onmacht is zijn besluit om na afloop zijn dansers niet meer op het toneel te laten verschijnen en de zangeres in haar eentje op een overdreven, kitcherige manier het applaus in ontvangst te laten nemen. Zulke acties zijn onvolwassen en de dans onwaardig. Ik vraag mij af of De Ruiter op de goede weg is, want in dit werk heeft hij zijn evidente talent flink overschat.

Totaal verschillend van alle andere dansvoorstellingen is het optreden van de groep van Mehmet Sander, een in Amerika levende en werkende danser en choreograaf van Turkse afkomst. Wat hij brengt valt eigenlijk niet onder de noemer dans, het is inventief geconstueerd acrobatisch bewegingsspel met een hoog gevaren risico. Niet vaak zal men strak uitgestrekte lichamen zo medogenloos en fanatiek vanaf een flinke hoogte op een met sportmatten beklede vloer zien smakken, aan voeten, armen of knieën zien hangen of in volle vaart tegen elkaar op zien vliegen. Zelden zal men ook in een dansvoorstelling zoveel gepuf en geblaas horen. Gestoken in strakke glanzende tricots zijn Sander en zijn lotgenoten de hele avond bezig te ontkennen dat een lichaam kwetsbaar is, dat er zwakte bestaat en van de vrouwen wordt precies hetzelfde geëist als van de mannen. Onopgesmukt en zonder enige muzikale begeleiding worden de 6 knap opgebouwde nummers afgewerkt. De variatie zit niet zozeer in de beweging maar in de objecten waartegen, waarin, waarop of waarmee die bewegingen plaatsvinden: een schuine wand, die op de première avond door al het brute geweld in elkaar stortte zonder dat een van de uitvoerenden zich daar dan ook maar een seconde door liet beïnvloeden, een gekleurde en een zwarte vloer, een grote, open recht opstaande kist, een smal, hoog vierkant, doorzichtig "kamertje", een lange metalen buis en een houten in allerlei standen gemanoeuvreerd plankier. Het is allemaal ongepolijst, krachtig en perfect in timing. Afgebeten commando's doen lijven en objecten vallen, kantelen, rollen en stuiteren. Het publiek hield er de adem bij in en beloonde de enorme fysieke inspanning met een daverend applaus. Pas toen kwam er een tevreden lachje op het gezicht van de kleine, tikje kwaadaardige kobolt Mehmet Sander: de klus was geklaard en goed bevonden.