Uit de "Moskouse archieven' van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie; Spijt, inhaligheid en bittere verwijten

Preciese gegevens over de Nederlandse deelname aan de Waffen-SS waren tot nu toe schaars. Met hoevelen waren ze, de Hollandse jongens in het Feldgrau, hoeveel vrijwilligers betaalden hun idealisme (of hun naïviteit) met de dood, en wat gebeurde er met de families thuis? In de archieven die het RIOD onlangs uit Moskou kreeg, wordt iets meer duidelijk over de omvang en de aard van de Nederlandse tak van de Waffen-SS. Een bloemlezing van gebroken levens: "Hoewel jij aan het front vecht, laten ze ons hier aan ons lot over'.

Sennheim, maart 1941. Op de tafel van SS-Oberscharführer Koepfer ligt een vragenlijst. De eerste vraag luidt: Waarom bent U bij de SS gekomen? De laatste: Waarom wilt u nu niet meer bij de SS blijven? Op de gang in het SS-opleidingskamp Sennheim wachten elf Nederlandse mannen op hun ondervraging. Eén voor één worden ze binnengeroepen.

Rinnert (22): ""Het is de schuld van mijn vriend. Die heeft gezegd dat ik na een half jaar, als de opleiding voorbij was, weer terug kon naar Nederland om daar mee te werken aan de opbouw van de SS. Maar nu blijkt dat ik op transport naar Hamburg moet. Ik vermoed dat ik op een dag aan het front lig maar dat kan ik niet. Ik heb in Nederland tweeëneenhalf jaar in dienst gezeten en heb als soldaat zelfs tegen Duitsland gevochten. U begrijpt dat ik vandaag niet aan Duitse zijde kan strijden. Ich wollte dass schon, aber ich kann es nicht.''

Hendrik (28): ""Ik wil niet meer blijven omdat de dienst voor mij te zwaar is. Vooral de marsen kan ik niet bijbenen. Ik ben van beroep badmeester, dat is lang niet zo inspannend. Ik wil ook naar huis omdat ik heimwee heb. Bij de keuring in Nederland moest ik wel iets ondertekenen maar ik wist niet wat het was, ik heb het niet gelezen.''

Albert (32): ""Ik heb mij vrijwillig gemeld bij de SS. Tot mijn verbazing ben ik door de keuring gekomen, ik heb namelijk een zwakke long. Ik lijd niet aan tbc maar ik heb het afgelopen jaar wel longontsteking en bronchitis gehad. Onze wachtmeester bij de WA had gezegd dat de dienst bij de SS niet zo streng is. Ik ben van huis uit chauffeur en ik had gedacht bij de SS als chauffeur te kunnen werken. Nu wil ik weer naar huis, de dienst is me te streng.''

Georg (29): ""Ik ben tandarts en had tot nu toe een praktijk in Maastricht. Vorige maand ben ik gekeurd en toen zei de SS-Führer van de keuringscommissie - hij had vier sterren - dat ik in Sennheim als tandarts aan de slag kon. Daar voelde ik wel voor. Ik kan geen militaire dienst doen omdat ik niet helemaal gezond ben. Als tandarts zou ik hier wel willen blijven, maar niet als militair.''

Johan (21) is de zenuwachtigste van allemaal. Hij houdt zijn hoofd geen moment stil. ""Een leek heeft meteen in de gaten dat hij niet deugt voor de militaire dienst,'' noteert Koepfer nadat hij Johan heeft aangehoord. Zijn relaas: ""Ik wil naar huis omdat ik absoluut naar mijn vrouw terug wil. Ik ben met ruzie van haar weggegaan. We zijn sinds twee jaar getrouwd, dit is de eerste keer dat ik bij haar weg ben. We hebben één kind, het tweede is in aantocht. Ik ben erg nerveus. Ik kan geen dienst doen. Ik weet eigenlijk zelf niet waarom ik hier gekomen ben. Het kwam zo: een kameraad zei tegen me joh, kom mee naar de keuring. Ik mee en gekeurd. Mij werd niets gezegd. Ik wist wel dat het om de SS ging. Ik moest ook iets ondertekenen maar wat precies weet ik niet, het was Duits en dat kan ik niet lezen. Toen ik de oproep kreeg voor Sennheim wilde ik eigenlijk niet maar omdat ik bang was dat de politie me zou komen halen ben ik toch gegaan, tegen de zin van mijn vrouw.''

""Omdat ik niet gezond ben kan ik niet blijven, hoe graag ik dat ook zou willen,'' antwoordt de 40-jarige Hendrik op de vraag van Koepfer. ""Ik ben maag-darm patiënt. Waarom toch getekend? Ik wilde als nationaal-socialist mijn plicht doen. Van mijn maag-darm klachten heb ik niets tegen de arts gezegd, niemand heeft mij er ook naar gevraagd. Maar de arts die me hier onderzocht heeft, zegt dat het beter is dat ik naar huis terug ga.''

Russische leger

Vechten voor de vijand. Ze meldden zich over het hele land aan, de Nederlandse vrijwilligers voor de Waffen-SS. Tot voor kort ontbraken precieze gegevens over de aantallen vrijwilligers, het aantal gesneuvelden onder hen en ook was nauwelijks iets bekend over het maatschappelijke netwerk dat de Duitse bezetter voor de familieleden van de vrijwilligers op poten zette. Nieuw materiaal daarover bevindt zich sinds kort in een kamertje van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie (RIOD) in Amsterdam. Het is afkomstig uit Moskou waar het sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog lag opgeslagen nadat het Russische leger er in '45 beslag op had weten te leggen bij de belegering van Berlijn.

Stapels mappen. Niet alleen over de Nederlandse tak van de Waffen-SS, er is ook materiaal gevonden over de Duitse spionage-activiteiten in de jaren '30 in Nederland, dossiers van in Duitsland berechte Nederlanders nog voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog en stukken over de economische uitbuitingspolitiek door de bezetter. ""De mooiste buit sinds jaren. Allemaal onbekend materiaal. Nee, ik geloof niet dat boeken herschreven moeten worden al zal bij sommige wel een dikke voetnoot moeten komen'', zegt het hoofd van het RIOD-archief, drs. H. de Vries.

Een voetnoot - bijvoorbeeld bij het standaardwerk De SS en Nederland van voormalig RIOD-medewerker dr. N.K.C.A. in 't Veld, of bij Voor Führer, Volk en Vaderland - de SS in Nederland van S. van der Zee. Maar dan nog is niet alles bekend over bijvoorbeeld de Nederlandse vrijwilligers voor de Waffen-SS. Want behalve in Moskou bevinden zich terzake nog meters archieven in de Tsjechische hoofdstad Praag.

Geldhonger

Een pand ergens in 's-Hertogenbosch was het zenuwcentrum van waaruit de zorg voor de Nederlandse SS-vrijwilligers en hun familieleden werd georganiseerd. Iedere maand stuurde Obersturmführer Kerling een overzicht van de aantallen vrijwilligers en gesneuvelden naar Berlijn. Ook werd in de overzichten nauwkeurig bijgehouden hoeveel soldij er die maand was betaald en hoeveel verwanten aanspraak maakten op financiële ondersteuning door de bezetter.

Regelmatig klaagt Kerling in zijn correspondentie met Berlijn over de geldhonger van de gemiddelde SS-vrijwilliger en - dan is de oorlog al een paar jaar aan de gang - smeekt hij om meer personeel teneinde de administratieve rompslomp die het werven van vrijwilligers en de zorg voor hun verwanten met zich meebrengt, het hoofd te kunnen bieden.

Niet alle maandoverzichten zijn in Moskou aangetroffen. Het eerste overzicht dateert van mei 1941, het laatste van mei 1944. Dan is het aantal vrijwilligers opgelopen tot 20.667, het aantal gesneuvelden tot 1.747 en bedragen de uitgaven voor financiële steun aan de verwanten van vrijwilligers RM 26.289.198,64.

Lang is vastgehouden aan de veronderstelling dat vrijwilligers voor de Waffen-SS vooral afkomstig waren uit de noordelijke provincies en, in mindere mate, uit het zuiden. Stukken uit juni 1942 laten echter een ander beeld zien. Die bevatten mededelingen over opgespaarde soldij van Waffen SS-vrijwilligers en het verzoek dit geld door te sturen naar hun familieleden. Zij blijken verspreid over het hele land te wonen: in Rotterdam, Wassenaar, Soest en Amsterdam. In Sittard, Noordhorn en Santpoort. In Winterswijk, Voorburg, Helvoirt, Heemstede en Terneuzen. De bedragen variëren van RM 50 tot ruim 200 RM. Een enkeling heeft zelfs 400 RM opgespaard.

Al in augustus '41, het aantal vrijwilligers bedraagt dan 1000, doet Obersturmführer Kerling zijn beklag over de administratieve rompslomp waardoor zijn mensen worden geplaagd. Die rompslomp is ontstaan omdat de vrijwilligers in vijf, elkaar bijna overlappende categorieën zijn ingedeeld wat de afwikkeling van verzoeken om onderhoud voor hun verwanten er niet gemakkelijker op maakt. ""Soms worden mensen dubbel betaald, en wat ze teveel ontvangen hebben moet teruggevorderd. Dat kost veel werk, veel brieven.''

Wat te denken van problemen die opdoemen wanneer de aanvrager van finaciële steun een half-jood blijkt te zijn? ""Zoals Oppermann die bij het Vrijwilligerslegioen Nederland dienst heeft genomen en om steun verzoekt.'' En de vrijwilliger die door een foute opgave heeft veroorzaakt dat zijn geld naar zijn matresse en háár kinderen gaat, terwijl zijn eigen vrouw en kinderen vooralsnog met lege handen achter zijn gebleven.

Druk, steeds drukker krijgen ze het in Den Bosch met het afleggen van huisbezoeken aan de nabestaanden van gesneuvelden. In augustus '41 zijn het er slechts 12, één wegens ziekte, elf zijn gesneuveld aan het front. ""De houding van hen die achterblijven moet zonder uitzondering worden omschreven als voorbeeldig,'' aldus Kerling. De nabestaanden krijgen behalve morele en financiële steun ook extra textielpunten voor de aanschaf van rouwkleding.

Een jaar later, in juli 1942, is het aantal vrijwilligers opgelopen tot ruim zesduizend, het totaal aantal gesneuvelden bedraagt dan 457. De problemen rond de huisbezoeken worden steeds groter. Overlijdensberichten komen laat of bij een verkeerd bureau binnen. Soms blijkt iemand niet gesneuveld, alleen gewond. En door het tekort aan bezine kunnen niet alle nabestaanden snel worden bezocht. Zelfs Himmler grijpt naar de pen om zijn ongenoegen hierover kenbaar te maken. In een brief aan de Höhere SS und Polizeiführer Nordwest, gedateerd op 6 juni 1942, schrijft hij: ""Uit de brief van Jan van den B. uit Loenen blijkt dat hij op 30 april via een postwissel op de hoogte werd gebracht van de dood van zijn zoon. Ik vind dat ongelooflijk. Alle verantwoordelijke diensten moeten er voor zorgen dat er een einde komt aan deze barbarij.'' Maar de achterstand wordt steeds groter: in mei 1944 wachten nog honderden nabestaanden op een condoléance-bezoek.

Ontrouwe echtgenotes

Afgewezen door hun omgeving doen verwanten van de SS-vrijwilligers een steeds groter beroep op de hulpvaardigheid van de bezetter. ""Het is ongelooflijk hoeveel verzoeken er in behandeling genomen moeten worden. Men wil extra levensmiddelen, schadeloosstelling bij inbraak, een bijdrage in verhuiskosten. Ze komen om hulp wanneer ze worden bedreigd door Duits-vijandige "elementen'. En we moeten helpen bij verzoeken om echtscheiding, die vooral komen van de mannen aan het front uit onvrede met hun ontrouwe echtgenotes,'' schrijft Kerling in juli 1942 aan Berlijn.

En passant uit hij zijn ongenoegen uit over het feit dat nogal wat Waffen-SS vrijwilligers niet bepaald behoren tot het puikje van het Nederlandse volk.

Neem Hendricus M. uit Den Haag. Opgeroepen in januari '42 krijgt hij een maand later al verlof om ""wat familie-zaken te regelen.'' De familie moet verhuizen, M. krijgt 200 gulden voor nieuwe meubels van "Den Bosch' en mag tot 30 maart wegblijven. ""Half april wendde een schuldeiser van M. zich tot ons bureau en meldde dat M. zich nog steeds in Den Haag en in zijn oude woning bevond. Het bleek dat M. noch een nieuwe woning had gehuurd, noch het hem verleende bedrag voor de aankoop van meubels juist had besteed (...)''. Waarop M. op 20 april 1942 wordt ingesloten. ""Voorbeelden als deze zijn er te over.''

Eind '42 bedraagt het aantal vrijwilligers ruim elfduizend. In totaal is tot op dat moment RM 128.410,95 aan soldij betaald en is RM 5.391.363,93 naar hun verwanten gegaan. Het aantal gesneuvelden is dan opgelopen tot 758. Net als in december '41 wordt ook nu veel werk gemaakt van het "Julfeest', het Germaanse kerstfeest. Nabestaanden van gevallenen krijgen een Julfeestgeschenk, niet alleen als blijk van verbondenheid met de Waffen-SS ook uit oprechte erkentelijkheid voor de opofferingsgezindheid van de gesneuvelden. Honderden levensmiddelenpakketten met daarin cognac, likeur, peulvruchten, suiker, boter en bonbons worden bij de nabestaanden afgeleverd. Daarbovenop krijgt iedere weduwe als ook de dochters van de gesneuvelden stof om een jurk te maken.

De feestvreugde wordt grondig bedorven als blijkt dat nogal wat pakketten beschadigd worden afgeleverd, danwel half leeggeroofd.

Vertrouwen

In zijn berichten aan Berlijn maakt Kerling steeds meer de indruk een gekweld mens te zijn. ""Bij de gevallenen tot december '41 ging het uitsluitend om leden van de SS-Standarte "Westland' die voor het merendeel uit puur idealisme voor de groot Germaanse gedachten gestreden hadden. Het opvangen van hun verwanten was een dankbare opgave. Helaas bestaat het Vrijwilligerslegioen Nederland niet bepaald uit uitgelezen types. Hun verwanten, die voor een deel tot de armste kringen behoren, zijn uitgesproken materialistisch ingesteld. Hun verzoeken om hulp zijn tot in het oneindige gestegen en wij moeten wel steun blijven bieden omdat anders het vertrouwen in Duitsland op het spel wordt gezet,'' schrijft hij in zijn jaaroverzicht over 1942.

En dus wordt geld gegeven om gewonde familieleden in Duitsland te bezoeken, wordt er bemiddeld bij de toewijzing van in beslag genomen woningen van joden, wordt hulp geboden in geval van ziekte. Intussen stijgt ook het aantal verzoeken om hulp bij echtscheiding. ""De zedelijke opvatting van betrokkenen, in het bijzonder van de Nederlandse vrouwen is dermate los dat men zich alleen maar kan verbazen,'' schrijft Kerling aan Berlijn.

Alleen al in april '43 komen op het bureau in Den Bosch ruim 3.500 brieven binnen. Die maand is het aantal vrijwilligers opgelopen tot 12.779, bedraagt het aantal gesneuvelden 977 en is aan verwanten RM 10.200.306,05 uitbetaald. In juni '43 is voor Kerling de maat vol. In rotten van vier staan ze op de stoep, de leden (""meestal vergezeld door de hele familie'') van het Vrijwilligers Legioen (""voor een deel vroegere werklozen, zieken en mensen met een strafblad'') die zes weken met vakantie in Nederland zijn. Ze willen meer geld voor hun verwanten maar krijgen nul op het rekest, wat menig vrijwilliger de opmerking ontlokt "in dat geval het pad van de zwarte handel op te moeten gaan.' ""Op onze tegenwerpingen dat hun familieleden het stukken beter hebben dan anderen reageerden ze schouderophalend. "Nederlanders moeten nu eenmaal handel drijven', zeiden ze.''

Eigen schuld

Ondanks de klachten over ondermeer de financiële tegemoetkoming blijven vrijwilligers zich aanmelden. Eind '43 zijn het er ruim 18.000, twee maanden later zijn er nog eens duizend bijgekomen. In mei 1944 gaan ruim 20.000 mannen in het Feldgrau gekleed en worden bijna evenzoveel families door de bezetter onderhouden. Nog wel.

Maar in het najaar van '44 regent het klachten van achtergebeleven familieleden. Ze hebben al in geen weken een cent gezien, doktersrekeningen, huur, gas en licht kunnen niet worden betaald worden. Vrouwen van SS-vrijwilligers bestoken hun echtgenoten met brieven, vol verwijten.

""Ik heb nog steeds geen geld van de SS ontvangen. Ik ben niet de enige want hier in de buurt heeft nog niemand iets gekregen. Er wordt steeds geschreeuwd: wij zorgen zo goed, maar nu zie je het! Wanneer zij in het nauw zitten zorgen ze wel dat ze zelf wegkomen,'' schrijft een moeder uit Ommen in oktober '44 aan haar man. Een inwoonster van Haarlem laat haar man weten maar liever niet meer terug te komen als de oorlog voorbij is: ""Ik moet zien dat ik wat te eten krijg. Jij zorgt daar niet voor dus kan ik het later ook wel. Het is je eigen schuld dat het zover gekomen is. Je bent er mooi ingelopen.''

Een inwoonster uit Den Haag: ""Ik zit al vijf maanden op geld te wachten. Ook het geld dat je uit Riga hebt overgemaakt is nog niet binnen. Ik haal elke donderdag 25 gulden voorschot op je loon af bij de arbeidsbemiddeling. Dat is alles wat ik krijg.'' Een moeder uit Delft aan haar zoon (november '44): ""Ik heb de indruk dat het nationaal socialisme erger is dan het communisme. Ik heb drie cheques ontvangen maar die bleken ongeldig. Begrijp jij wat voor domkoppen op het bureau zitten of zou het met opzet zijn gebeurd?''

""We krijgen van de SS geen extra kolen en levensmiddelen meer. Ik zal dankbaar zijn als de oorlog voorbij is want hoewel jij aan het front vecht laten ze ons hier aan ons lot over,'' schrijft een inwoonster uit Amsterdam begin december '44 aan haar man. Een ander: ""Ik moet je een illusie ontnemen. Of je nu bij de SS bent of niet, dat helpt hier helemaal niets.''

Inderdaad: van het zorgvuldig opgebouwde maatschappelijke netwerk is na Dolle Dinsdag weinig meer over. De arbeidsbemiddeling voor teruggekeerde SS-vrijwilligers zit volledig in het slop. Huisbezoeken aan nabestaanden van omgekomen vrijwilligers behoren tot het verleden. De traditionele Julfeestgeschenken zullen hoogstwaarschijnlijk in december '44 niet meer zijn verstuurd. Trouwens, het zenuwcentrum in Den Bosch is dan als gevolg van de geallieerde opmars al geruime tijd "gesloten'.

Ver weg, in het oosten, vechten kleine eenheden in de laatste oorlogsmaanden een zinloze strijd. Tot aan de val van Berlijn zijn ze erbij, de overgeblevenen van de naar schatting 23.000 vrijwilligers. Maar van het politiek idealisme, als dat al echt hun drijfveer is geweest, is in mei '45 bitter weinig meer over.