Tsjechie; De Praagse zorgen van Jaromr uit Amsterdam

PRAAG, 23 OKT. Jaromr had zorgen, dat was duidelijk. Hij liep die middag, een paar weken geleden, in een zo peilloos diep denken verzonken dat hij me niet eens opmerkte toen we elkaar op straat tegen het lijf liepen. Zijn zorgen betroffen het grote huis in een voorstadje van Praag waar hij vijftig jaar geleden werd geboren. Dat huis verkeerde na meer dan vijftig jaar verwaarlozing in zo'n verkommerde staat dat er iets moest gebeuren.

Jaromr woont al lang niet meer in Tsjechië, maar in Nederland, waar zijn zuster al eerder door haar huwelijk met een Nederlander terecht was gekomen. Hun moeder woonde na de Fluwelen Revolutie van 1989 nog steeds in het oude huis, het huis van hun jeugd. Een huis dat in veertig jaar communisme al zijn vroegere glans had verloren.

Jaromr vertelt: “Na 1948 zijn er geleidelijk steeds meer huurders in het huis gekomen. De gemeentelijke autoriteiten beschikten natuurlijk over de gegevens van het woonbestand. Dit was een groot huis waar gemakkelijk wat kamers konden worden toegewezen aan woningzoekenden. Het huis werd niet onteigend, de eigenaar die er woonde, ons gezin dus, mocht er blijven. Maar je had geen enkele zeggenschap over wie er in kwamen. Eerst waren er twee huurders, op een gegeven moment waren het er wel zes. Maar voor onderhoud was geen geld: de huur die je als eigenaar ontving was een symbolisch bedrag, omgerekend een paar gulden per maand. Op die manier is dat huis volkomen verpauperd, zo zelfs dat bepaalde gedeelten in het souterrain uiteindelijk onbewoonbaar zijn verklaard.”

Begin dit jaar besloten Jaromr en zijn zuster om samen het huis van hun jeugd, het huis waar hun 85 jaar oude moeder nog steeds woont, te renoveren. Behalve hun moeder wonen er, in kleine appartementen op de benedenverdieping, ook nog twee huurders. Die blijven gewoon, want elders kan onmogelijk woonruimte voor zo'n geringe huurprijs worden gevonden.

Jaromr: “Het was een emotionele kwestie. We wilden niet dat dat huis verder zou wegrotten, er moest een nieuw dak op, er moesten nieuwe ramen in, alles was verwaarloosd. We trokken er geld voor uit, niet om er later profijt van te trekken - want aan huur brengt het nog steeds niet meer dan zestig gulden per maand op - maar om het huis voor totaal verval te behoeden.”

Met een bevriende Tsjechische architect werden er bouwtekeningen gemaakt, calculaties van wat het zou kosten, vergunningen aangevraagd. Er werden aannemers in Praag benaderd die met offertes kwamen. “We hebben wel een stuk of zes offertes bekeken, maar die waren allemaal veel te duur”, vertelt Jaromr. “Uiteindelijk zijn we terechtgekomen bij een aannemer buiten Praag die betrouwbaar leek.”

En toen begon de nachtmerrie. Alle documenten waren getekend, de afspraken beklonken, maar maandenlang gebeurde er niets. En terwijl de zomer steeds verder voortschreed bleek steeds duidelijker dat in het post-communistische Tsjechië afspraken, overeenkomsten en contracten weinig meer waard zijn dan het papier waarop ze staan.

Jaromr: “Om de aannemer in staat te stellen bouwmateriaal, cement, een steiger en wat er bij een verbouwing allemaal komt kijken aan te kunnen schaffen hadden we die man een voorschot gegeven van ongeveer een derde van de totale bouwprijs. Dat was voor de zomer. Maar wat er kwam, geen materiaal. Ja, zo nu en dan kwam er wel eens een bouwvakker langs om de indruk te wekken dat er nu toch spoedig iets zou gebeuren. Toen dat zo een paar weken had geduurd informeerde ik eens bij de aannemer waar die steigers toch bleven. Toen bleek dat hij geen geld meer had. Het voorschot dat wij gegeven hadden was op, niet uitgegeven aan het bouwmateriaal dat hij nodig had, maar gebruikt omdat hij tegenslag had met andere projecten die hij onder handen had. Hij beweerde het slachtoffer te zijn geworden van opdrachtgevers die hem niet hadden betaald.”

Wat kon Jaromr doen? Een andere aannemer zoeken en nog meer kostbare tijd verliezen? Dreigen met de rechter? Theoretisch zou dat mogelijk zijn, maar de praktijk is anders. De praktijk is dat er zoveel geschillen van deze aard in Tsjechië zijn dat de rechtelijke macht, die toch al onderbemand en incompetent, zo niet corrupt, is, uitgesloten is als instantie om je recht te halen. “Bovendien”, zegt Jaromr, “als je met de rechter dreigt lacht de tegenpartij je in je gezicht uit, want die weet ook wel dat het een paar jaar zou duren voordat zo'n zaak behandeld wordt.”

Omdat de winter steeds dichterbij komt en de werkzaamheden aan de buitenkant geen langer uitstel dulden, is Jaromr zelf maar begonnen met de organisatie van de bouw: met het bestellen van materiaal, dakpannen, zink voor de dakgoten, bakstenen, met de installatie van de steiger. Eindelijk konden de bouwvakkers uit de provincie, dezelfde die een paar maanden geleden alleen maar zo nu en dan poolshoogte waren komen nemen, met de werkelijke renovatie beginnen. Over hen wil Jaromr geen kwaad woord horen. “Dat zijn prima lui, echte vakmensen. De man voor wie ze werken, die aannemer, deugt alleen voor geen cent. Ze hebben bij voorbeeld de afgelopen twee maanden nog geen loon gekregen. Desondanks bleven ze onverstoorbaar doorwerken. Ik ben toen zelf naar de bank gegaan, heb geld voor hun loon opgenomen, dat aan de aannemer gegeven in ruil voor een schuldbekentenis en hem gesommeerd zijn mensen te betalen.”

Zeker zes keer is Jaromr dit jaar heen en weer gevlogen van Amsterdam naar Praag. Tientallen telefoongesprekken zijn er over en weer, maar vooral over, gevoerd. “We zijn nu bijna in het reine”, zegt Jaromr, “maar ik denk dat de hele grap ons zeker een kwart meer gaat kosten dan we hadden begroot.”