Column

Thuis

Ik rijd door Frankrijk en aan de rand van een typisch Frans dorpje zie ik aan de linkerkant van de weg het ommuurde kerkhof liggen. Ik moet dan stoppen, mijn auto uit en minstens een kwartier struinen tussen de bemoste zerken. Franse graven zijn prachtig. De uit Lourdes meegenomen bordjes, de plastic bloemen, het fotootje van de overleden jongen met de frisse blik en de altijd wat bombastische grafhuisjes van de notabelen ontroeren mij zeer.

Ik slurp jaartallen, reken uit hoe oud ze waren of nu geweest zouden zijn en mijmer hardop over het zinloze aardse bestaan. Waarom heeft niemand een zerk in de vorm van een vraagteken? Mooi opvallend beeld tussen al die berustende stenen. Hoewel? Hoe minder het graf schreeuwt hoe meer vragen je gaat stellen.

De simpele steen met alleen

REMY

8-1-68 - 19-9-76

doet mij zachtjes huiveren en eigenlijk wil ik alles weten.

In Nederland stop ik nooit aan de rand van Veenendaal of Hengelo om een kerkhof te bezoeken. Ik zou me daar een gluurder voelen, een beetje naargeestig type die naar zerken staat te staren.

Toch was ik afgelopen week op een kerkhof. Het kerkhof van Bussum waar mijn vader sinds 2 augustus begraven ligt.

Mijn zusje en ik gingen even kijken hoe het graf geworden was, zetten een paar wintervaste planten op zijn laatste rustplaats en haalden nog wat liefdevolle herinneringen aan hem op. Daarna doolden we nog langs wat steentjes en omdat wij daar geboren en getogen zijn spraken heel veel namen tot de verbeelding. Daarbij is het ook nog eens de Rooms Katholieke Begraafplaats, dus bijna iedereen die daar ligt, kenden we uit de kerk. Zo was dat vroeger.

Opeens staan we aan de steen van het verdronken meisje dat nu dik in de veertig zou zijn geweest en toen pas zeventien was, even later valt mijn oog op het graf van de hoofdonderwijzer en zijn oudste dochter en mijn hele lagere-schooltijd schiet voorbij, onderweg naar de auto kom ik langs het meisje dat op gruwelijke wijze zelfmoord heeft gepleegd omdat haar vriendje het uitmaakte en weer even verder liggen de ouders van een vriend.

Bij de meeste stenen heb ik een gezicht en merk ook hoe verschrikkelijk gauw iedereen vergeten is.

Al die jaren ben ik langs dit kerkhof geraasd, tot augustus wist ik amper waar de ingang was en nu spring ik schotsje door mijn jeugd.

Het is lekker koud en mooi vroeg donker.

Daarna scharrelden we nog wat door het lege ouderlijk huis dat inmiddels verkocht is, lieten elke kamer nog een keer goed tot ons doordringen en wisten dat dit de laatste keer was dat we hier waren.

Hier liggen tweeënveertig jaar familiegeschiedenis waarvan ik er negenendertig heb meegemaakt.

Een greep uit de honderdduizend herinneringen: het voetballen met een paar sokken op de gang met de deuren van de badkamer en het kleine kamertje als goal, het hockeyen op de hoek van de straat, het honkballen bij de vijver van Vlek, slagbalwedstrijden tussen de vaders en de kinderen in de autoloze lanen, busjetrap tot de lantaarns branden, de in mijn herinnering dagenlange kerstdiners, de geur van mijn moeders zaterdagse macaroni met ham en kaas, het sjoelbakken onder de grote lamp en als je naamdag had mocht je een "flesje uit de kelder'. Meestal werd dat Perl of Joy. Beide merken zijn verbucklerd ofwel: verdwenen.

Ik moest even schudden toen ik de deur voor de laatste keer op het nachtslot draaide, hoefde niet te huilen omdat ik een grote jongen ben en anderhalf uur later stond ik op het podium van het Amersfoortse theater De Flint en deed ik een poging de mensen met mijn humor wakker te schudden. Ik had er geen moeite mee en dat heb ik van mijn ouders. Doorgaan. Niet te veel omkijken.

Nooit meer zal ik me zo thuis voelen als ik me daar thuis gevoeld heb.

En terwijl ik deze regel opschrijf moet ik verschrikkelijk hard huilen.