Rotterdam aan de Newa

Nederlandse bouwprojecten in den vreemde, we hebben er jarenlang liever niets over willen horen. Van de bedragen die we "met z'n allen' hebben moeten bijpassen op de oliehavens van de OGEM in het Midden-Oosten en de Amerikaanse mijnbouwrevolutie van RSV, hadden we tot ver in de volgende eeuw zestien miljoen sterk aan het strand van Benidorm kunnen liggen. Met net zo veel paella en sangria als we maar wilden, op kosten van het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds; ware het niet dat de heer Masson en zijn vrienden het geld liever wegsmeten aan onrendabel gebleken ski-dorpen in de Franse Alpen.

Maar het bloed kruipt kennelijk waar het niet gaan kan. Zo hoorde ik onlangs dat het Rotterdamse ontwerpburo DAD (Dutch Art Design) bezig was een "grand café' in te richten onder het voormalige Senaatsgebouw van St. Petersburg. Hoe kan zoiets non-descripts als een grand café, een begrip dat we tien jaar geleden nog niet eens kenden, inmiddels zijn uitgegroeid tot een exportprodukt? Nota bene naar Rusland, dat op horecagebied tot de achterlijkste landen ter wereld mag worden gerekend.

Na een uurtje zoeken temidden van de kaalslag die de spoortunnel van Neelie Smit-Kroes (over Nederlandse ondernemingslust gesproken!) in de buurt van Station Blaak in Rotterdam heeft veroorzaakt, sta ik in de toonzalen van DAD aan de Binnenrotte 77. Zeker in contrast met de stedebouwkundige heksenketel voor de deur straalt alles hier een weldadige rust en kalmte uit. Modern en smaakvol, zou je het bijna willen noemen. En met een aanbod van meubelen en accessoires dat (hoe zeg je zoiets) getuigt van onopdringerige eigenzinnigheid.

In de Salon de Thé, waar men aan eenvoudige houten tafels een eventuele aanschaf kan heroverwegen, laat ik mij een potje "1854' aanbevelen. Volgens de kaart “een geslaagd huwelijk tussen prachtige Chinese en Indiase theesoorten, met een uitgebalanceerde hoeveelheid jasmijnbloemen en zilveren puntjes”, en volgens de bediening “gewoon de lekkerste thee op dit moment van de middag”.

Rob Lagrauw (39), de eigenaar van DAD, schuift aan. Op mijn vraag hoe de Russen hem überhaupt hebben kunnen vinden om een interieur te bestellen, verklaart hij: “Het zijn twee Nederlanders die dit hebben opgezet, en die ken ik hier uit de stad. Maar u heeft gelijk, we zijn op het moment wat moeilijk te bereiken.”

Lagrauw is van huis uit meubelontwerper. Een kleinschalig denker die ook grote projecten aanpakt: “Dat is hier in de zaak ook het geval; je kunt hier binnenlopen voor één pannelap, maar ik kan ook een complete keuken voor je inrichten. Het inrichten van cafés is begonnen met Café-restaurant MAAS. Dat liep vanaf het begin geweldig, en dan ben je automatisch een succes-ontwerper. Je gaat mee omhoog. Maar als de loop uit een zaak raakt, meestal door slecht management, dan loop je als ontwerper ook het risico mee naar beneden getrokken te worden. We proberen tegenwoordig enige eisen aan dat soort klanten te stellen, maar je hebt er in feite weinig invloed op. Eigenlijk kun je niet veel meer doen dan afwachten wat het wordt.”

Met enige spanning wacht Lagrauw dan ook op de opening van Oibibio, het “centrum voor persoonlijke groei” tegenover het Centraal Station in Amsterdam, waarvoor hij het café op de begane grond heeft ingericht. “Er zijn geweldige bedragen mee gemoeid, dat loopt echt in de miljoenen. Maar ik heb de indruk dat die jongens toch wel weten wat ze doen.”

De rol van DAD bij de verwezenlijking van het complex onder het Senaatsgebouw in St.Petersburg is tijdens de bouw steeds belangrijker geworden. Aanvankelijk zou hij alleen het "concept' leveren. “Mijn eerste idee was een soort KGB-verhoorkelder, maar dat vonden we toch te heavy. Het is uiteindelijk een tijdloze inrichting geworden, met verwijzingen naar de Tsaristische tijd. Veel borstbeelden in de nissen, van figuren uit de Russische geschiedenis, maar ook van de gebroeders Boer, onze opdrachtgevers. Daar staan die Russen echt met zulke ogen naar te kijken: "Hé, wie zijn dat nou?”

Er moesten tijdens de bouw flink wat hindernissen overwonnen worden. Zo was halverwege het storten van de vloer in heel St. Petersburg geen zak cement meer te krijgen. Ook op de werkvloer bij mogelijke toeleveringsbedrijven trof Lagrauw een "doodgeslagen' sfeer aan: “Ik heb daar meubelfabrieken bezocht, maar zo'n directeur komt niet eens voor je uit zijn stoel. Terwijl je toch zou denken dat die man zijn 700 werknemers graag aan het werk wil houden.”

Zo is er uiteindelijk minder in Rusland zelf gemaakt dan aanvankelijk de bedoeling was.

Marius Boer is, samen met zijn broer Rinus, de grote man achter het Nederlandse horecaproject aan het Decembristenplein vlak bij de Newa. Hij staat aan het hoofd van handelsonderneming Lemabotex. Een naam die afkomstig lijkt uit een Russische futuristenroman, maar die bij navraag blijkt samengesteld uit de eerste lettergrepen van zijn naam: “Ik heet voluit Leendert Marius, Bo staat voor Boer, en dat tex komt van textiel. Van oorsprong zaten we in de lompenhandel”, zo klinkt het in onvervalst Rotterdams. Tot Boers verrassing wordt The Senat Bar tijdens het proefdraaien (de officiële opening is 13 november) ook al door veel Russen bezocht: “We richten ons in de eerste plaats op de buitenlanders, maar op het moment is het fifty-fifty. Je hebt zat Russen met een goed salaris. En het heeft ook met status te maken om buiten de deur te eten.”

Het restaurant van de Senat Bar wordt geheel vanuit Nederland bevoorraad: “Ik heb per week toch al drie, vier vrachtauto's die kant op rijden met schoenen, kleding en cosmetica, dus die paar koelboxen met vlees gaan eigenlijk in één moeite door. De groenten betrek ik van iemand die veel naar Finland exporteert, en vandaar is Petersburg bijna om de hoek.”

De maaltijden (“een tournedos met groente en frites komt op een gulden of acht-, negenentwintig, met vooraf gratis stokbrood en kruidenboter”) kunnen zowel in westerse valuta als in roebels worden afgerekend, waarbij een computer zorgt voor het omrekenen van de nogal schommelende koers, op dit moment 1200 roebel voor een dollar.

Boer omschrijft St. Petersburg beurtelings als “de mooiste stad die ik ooit in mijn leven gezien heb”, en “het Parijs van het Oosten”. Vanwege de aanwassende toeristenstroom is hij dan ook niet bang het geïnvesteerde geld te verliezen. Integendeel, want hij heeft inmiddels nog twee restaurants en een discotheek op stapel staan: “Al die toeristen moeten toch ergens eten, en ook op uitgaansgebied heb je daar niet zoveel. Bovendien hou ik van spanning en avontuur, vooral als mensen zeggen dat het me niet gaat lukken.”