Opera wordt bij Joosten kroniek van aangekondigde dood; Carmen als feministische macho

Voorstelling: Carmen van G. Bizet door de Nationale Opera Brussel o.l.v. Antonio Pappano. Decor: Johannes Leiacker; kostuums: Karin Seydtle; regie: Guy Joosten. Gezien: 20/10 Kon. Muntschouwburg Brussel. Herhalingen: 26, 29, 31/10; 3, 6, 9, 11, 12, 14, 16, 18/11; 21, 23, 26, 28/12. (wisselende bezetting)

Carmen in de regie van Guy Joosten bij de Brusselse Nationale Opera is een "kroniek van een aangekondigde dood'. Al in de eerste scène, als kinderen met elkaar spelen en vechten, flikkert in de handen van één van hen een mes. De hele voorstelling door worden er steeds weer messen getrokken, op elk moment van gefrustreerde heerszucht en niet alleen door Don José, de onverbeterlijke, telkens weer mislukkende minnaar van Carmen. Ook als de collega-fabrieksarbeidsters van Carmen onderling vechten trekken zij een mes.

Aan het slot steekt José dan eindelijk Carmen neer. Het is een daad die dubbel weerzinwekkend is omdat iedereen die moord als onvermijdelijk heeft zien aankomen en door er niets tegen te doen ook heeft geaccepteerd. De omstanders die zich hebben afgewend zijn even schuldig als de moordenaar.

Of is iedereen onschuldig, behalve Carmen? De door de messen aangekondigde dood is het onvermijdelijk einde van een gedoemde liefdesgeschiedenis. Carmen roept als in een Grieks drama zelf het noodlot over zich af door in haar Habanera te zingen dat ze juist diegene bemint die haar niet bemint en die man daarvoor te waarschuwen. Die waarschuwing had ze beter tot zichzelf kunnen richten.

Joosten doordringt zijn enscenering met machismo, de cultuur van de uiterlijke handhaving van vermeende eer, de fervente afkeer van het tonen van zwakte en mededogen. Mannen en vrouwen zijn er gelijkelijk mee behept. De Carmen van Graciela Araya - het is haar achtste produktie met deze rol - is een tof wijf, uitdagend, aanhalig, maar extreem zelfbewust, vrijgevochten en laconiek - een feministische macho. Micaela is in het verhaal slechts een schim, maar in de gedreven vertolking van Angela Gheorgiu lang niet zo braaf als anders.

Don José is als sentimenteel moederskindje mentaal verreweg de zwakste en compenseert dat door zich het manhaftigst te gedragen. In de plompe gestalte van de goed zingende Ronald Margison bijt hij zich vast in zijn domme geniepigheid. Hij treft de torreador Escamillo, superieur verbeeld door de zwarte Amerikaan Mark Doss, van wie hij eerder drie mesgevechten verloor, door diens geliefde Carmen neer te steken.

De voorstelling heeft gelijkelijk op het podium en in de orkestbak een intens geconcentreerde Latijns-zuidelijke sfeer. Geen seconde is er ontspannen exotiek, niets gebeurt zomaar, alles is dreigend. De lucht staat stijf van al die ego's die zichzelf onophoudelijk moeten bewijzen, ten koste van alles. Het lijkt nog het meest op zo'n moment in een Sergio Leone-western, als Lee van Cleef of Clint Eastwood een kroeg binnenstappen en de zaak overzien.

Joosten schept die pure spanning met eindeloos veel minieme details, zoals al helemaal in het begin, een soldaat die schaamteloos zijn broek opent, alles daar langdurig in orde brengt en het zaakje dan weer heel langzaam dichtknoopt. De omgeving is morsig - het toneelbeeld bestaat uit niet veel meer dan wat requisieten en stoelen in de kale ruimte van de toneeltoren met zwart geschilderde bakstenen muren. Ondanks de tv, de jukebox en de spuitbus waarmee kroegbaas Lillas Pastia een bed ontluist, lijkt alles tijdloos.

Antonio Pappano weerspiegelt die duistere, onheilspellende sfeer die men kan snijden met zijn ongekend indringende weergave van de partituur van Bizet. Alle noten hakken erin, pure schoonheid is weggebannen, het gaat alleen nog om de oorlog der emoties. Graciela Araya, die in Amsterdam de Penelope was in Audi's produktie van Il ritorno d'Ulisse in Patria, gaat het als Carmen al evenmin om esthetiek. Haar verre van perfecte zingen is maar één van de middelen om gestalte te geven aan deze imponerende Carmen.

    • Kasper Jansen