Ontgronding in knel tussen bedrijfsbelang en milieu

NIJMEGEN, 23 OKT. “Hier zitten we dus met z'n allen in de boot.” Dat zei de Gelderse gedeputeerde mevrouw M.E.C.E. Nagel-Cornelissen tijdens een bijeenkomst deze week van ontgronders en natuurbeschermers op de raderboot Mississippi Queen. Daar leek iets moois tot stand te zijn gebracht. Groeperingen die elkaar tot voor kort verketterden als het ging om de drang naar of juist het verijdelen van ontgrondingen, waren op uitnodiging van de Federatie van Oppervlaktedelfstoffenwinnende industriën FODI knusjes samengebracht voor een tocht over Waal en Rijn onder het motto "Natuurlijk graven'. Handgemeen, zelfs bittere discussies bleven uit.

Nederland is een klein, waterrijk land. Tien procent ofwel 340.000 hectare bestaat uit oppervlaktewater. Dat levert, vooral geconcentreerd in de zuidelijke en oostelijke provincies, klei, grind en zand. Door middel van "ontgrondingen' wordt dit in grote hoeveelheden weggehaald. Daardoor ontstaan grote plassen. De bij de FODI aangesloten bedrijven (samen ruim 9000 werknemers en 2,6 miljard gulden omzet) willen daar het liefst nog tot in lengte van jaren mee doorgaan. Maar tegen de ontgrondingen bestaat toenemende weerzin en weerstand. Dus moet er naar andere wegen worden gezocht om ze maatschappelijk nog enigszins aanvaardbaar te maken.

Toverwoord daarbij is natuurbouw. Daarbij kan, zei op de Mississippi Queen vice-voorzitter dr. H.J.P. Eijsackers van het Wereld Natuur Fonds, de klei-, zand- en grindwinning dienen als financiële motor. “Maar dat kan alleen maar als er marktconform wordt gewerkt. Dat wil zeggen dat de natuurontwikkeling het tempo van de ontgrondingen volgt.” Dat zal volgens Eijsackers niet alleen tot gevolg hebben dat nieuwe ontgrondingsprojecten een langere looptijd dan gemiddeld tien jaar moeten krijgen maar ook dat de winstmarges voor de ontgronders zullen afnemen.

Daar staat, zei hij, tegenover dat “u na gedane arbeid gelukkiger naar huis kunt gaan. U wordt dan immers niet meer beschouwd als vernietiger van het Nederlandse landschap.” Voorbeelden daarvan worden al geleverd: de inrichting na ongronding van de Gelderse Poort bij Millingen, waarbij de bedrijfstak en de natuurbeschermers nauw worden betrokken.

Nog een stapje verder ging plaatsvervangend directeur ir. J. Barkhof van de ANWB. “Ontgrondingen zijn een zegen voor de recreatie. Ze kunnen positief bijdragen aan de ontwikkelingen van nieuwe recreatieprojecten, die de komende jaren hard nodig zullen zijn. Nu al begeven zich jaarlijks een half miljard mensen naar het water. Maar dan moet de koers worden gewijzigd. Tot voor kort stond het economische belang van de ontgronders voorop. De recreant mocht na de maaltijd de kruimels van de grond eten. Het tij is aan het keren. Tegenwoordig speelt het belang van de recreant bij het ontgronden meer en meer een hoofdrol. Maar het samenspel tussen economische en recreatieve belangen behoeft nog wel verbetering”, aldus Barkhof.

Landschapsarchitect prof. ir. J.H. de Boer van de Technische Universiteit Delft stelde vast dat bij de planning van het grondgebruik nog elke samenhang ontbreekt. “We zijn vandaag de dag in staat tot zeer grootschalige ingrepen en we beschikken over een fantastische hoeveelheid informatie en kennis, maar die beide zaken worden niet gekoppeld. Er is sprake van een gefragmenteerd niemandsland.”

De Boer pleitte voor "een balans van gebruikersnormen'. Hij daagde de FODI uit een ontwerpopdracht uit te werken: “Waar mogen we graven en hoe is daarvan iets nieuws te maken? Dat is de uitdaging. De wat zeurderige toon van de bedrijfstak over de zorgen over de toekomst moet veranderen in positief meedenken. Wacht niet negatief af, maar denk bij elke spade die u in de grond steekt hoe u een totaal nieuwe en rijkere omgeving kunt creëren.”

Dat is volgens dr. Th.F. Krans van Limburgse ontgronders, verenigd in de Panheel-Groep, allemaal mooi en aardig. Maar waar blijft het oog voor het belang van de bedrijfstak? “Ontgronders liggen niet zo goed in Nederland. Als je actiegroepen hoort zeggen dat Moeder Limburg door de ontgrondingen in de Maasvallei genoeg is verkracht, en als je ziet hoe politici met hun gevoelige antennes de booschap hebben opgevangen dat voor ontgrondingen nauwelijks meer een maatschappelijk draagvlak is te vinden, dan ziet de toekomst voor de branche er nog altijd niet rooskleurig uit.”

Krans wees nog eens nadrukkelijk op het grote economische belang van de ontgronders als leveranciers van bouwgrondstoffen en bovendien op het feit dat “de pareltjes van de natuurontwikkeling zijn ontstaan dank zij ontgrondingen. We zijn weliswaar geen scheppers naast God, maar soms toch de handlangers van Onze Lieve Heer”, aldus Krans. Oók hij signaleerde een mentaliteitsverandering.

Geen goed woord had hij echter over voor de manier waarop de bedrijfstak bij de herinrichting na de ontgrondingen in Limburg buitenspel is gezet. “Het plan Grensmaas is niet gemaakt door mensen die het moeten uitvoeren. Het is daarom zeer dubieus of het technisch wel haalbaar zal zijn. Dromen zijn mooi, maar als er je niet meer van wakker wordt, is het slecht met je gesteld.”

“Ontgrondingen als de olie voor de groene motor”, aldus de Gelderse gedeputeerde Nagel-Cornelissen. Ze daagde de Gelderse ontgronders uit de in het verleden verleende vergunningen voor de kleiafgravingen ten behoeve van de baksteen- en pannenindustrie opnieuw in het overleg in te brengen, zodat ook die afgravingen beter aansluiten bij de natuurbouw die voor ogen staat.

En terwijl ze haar redelijk stroperig verhaal hield over de duurzaamheid van de samenleving en de duurzaamheid van het graven, raasde daar plotseling langs de Mississippi Queen met een vaart van 72 kilometer per uur de in Millingen ontwikkelde draagvleugelboot langs.

Vice-voorzitter J. Kooper van FODI - de voorzitter, burgemeester H. Riem van Brunssum, was afwezig wegens justitieel onderzoek tegen hem naar het aannemen van steekpenningen van ontgronders - temperde ten slotte een mogelijk te groot optimisme: “Vanzelfsprekend zal er weinig of niets van de mooie plannen voor natuurbouw terechtkomen als we vasthouden aan compromisloos ontgronden of compromisloos natuurontwikkelen”. De grenzen van de mogelijkheden van de ontgronders worden volgens Kooper bepaald door “het bedrijfseconomisch verantwoord kunnen aanbieden van een verkoopbaar produkt”. Maar meedenken dat wilde hij wel, zij het met nogal wat slagen om de arm: “Of we binnen de FODI alle neuzen daarbij in dezelfde richting krijgen, dat weet ik niet.”