ONMATIGE MEMOIRES

Mijn jaren in Downing Street 10 964 blz., geïll., Balans 1993, vert. M. Benninga e.a. (The Downing Street Years, HarperCollins), ƒ 65,--

Was de "Iron Lady' tijdens haar elf jaar durende premierschap inderdaad van ijzer of acteerde zij die rol? Over haar ijzeren fysieke gestel heeft nooit de geringste twijfel bestaan. Aan ziekte gaf zij niet toe, ook de jaarlijkse griep kreeg haar er niet onder en zelfs bij de narrow-escape van de bomaanslag in Brighton, die het leven kostte aan enkele mensen uit haar omgeving, handhaafde zij haar gebruikelijke koelbloedigheid. Het werkelijke ijzer openbaarde zich vooral tijdens politieke belegeringen. Geen staking bracht haar van haar stuk, zo min als de hardste oppositie in parlement en pers, noch de vijandschap van haar politieke vrienden, die zij aan de dijk zette zodra die de voortgang van haar sociale revolutie ophielden. Maar haar omstreden reputatie was hoofdzakelijk van binnenlands-politiek gehalte, de rest was retoriek.

Margaret Thatchers strijdbare, missionaire persoonlijkheid ontplooit zich in haar onmatige memoires in al haar verenpracht. Zij is resoluut, imponeert door een kolossale werk- en wilskracht, spreekt in tegenstelling tot de meerderheid van haar technocratische ambtgenoten verstaanbare taal, al is dat overwegend de taal van argwanende belastingbetalers, en zij heeft een economische filosofie die niet lijdt aan bedeesdheid, vaagheid en dubbelzinnigheid. Die filosofie is in volgorde van heftigheid karikaturaal anti-socialistisch, anti-Keynesiaans en anti-federalistisch.

Er spreekt een geweldige dossierkennis uit de weergave van haar jaren in Downing Street 10 en haar allesomvattende greep op de feiten verraadt een intens en verheven plezier in ambts- en machtsuitoefening. Op het belangrijkste punt van haar politieke programma, de gezondmaking van de staatsuitgaven, blijkt ze echter veel meer uit de handen van haar ambtelijke adviseurs te eten dan de buitenwereld denkt. ""Eigenlijk zijn er maar weinig mensen deskundig in de fijne kneepjes van de economie,'' schrijft ze met de haar kenmerkende stelligheid, maar bij al haar interne machtsvertoon blijkt ze de economie zelf toch niet zo te beheersen dat ze alle effecten van haar eigen monetaire beleid door heeft. Toen de Zwitserse econoom professor Jurg Niehans in 1981 in een door haarzelf uitgelokt rapport concludeerde dat het Britse monetaire beleid te strak was (als gevolg waarvan het pond was gestegen en zo'n druk op de Britse industrie uitoefende dat de recessie was verergerd) en versoepeling wenselijk was, erkende Thatcher voor het eerst onzekerheid. ""Op dat moment twijfelde ik aan het gevoerde monetaire beleid.'' In de interne discussies met haar economische adviseur professor Alan Walters speelde ze evenmin een sterke rol. Ze schikte zich in een voorgestelde belastingverhoging (waar haar verkiezingsprogramma verlaging had beloofd), maar ""zonder veel overtuiging''. Het ontbrak haar aan overtuiging doordat het haar in de eerste plaats aan technisch inzicht ontbrak.

Door haar vasthoudende pleidooien op topconferenties voor Europese begrotingsdiscipline telde zij ook buiten Engeland mee, maar de supporters die haar al hadden gecanoniseerd zullen toch met teleurstelling kennis nemen van haar bijdragen aan de discussie over de internationale vraagstukken van de jaren tachtig. Want hoeveel cement ze ook bijdroeg aan de de Westerse saamhorigheid tegenover het communistische Kremlin, de analyses van het communisme die zij ten beste geeft zijn even oppervlakkig als haar inzicht in de politieke structuren van het Midden-Oosten pover is.

BLUNDER

Thatchers politieke analyse is nergens scherpzinnig maar ze was effectief in de verbale confrontatie met de communistische wereldmacht. De machthebbers in Moskou hadden een voorkeur voor Westerse politici die hun spierballen durfden te gebruiken en Thatcher sprak in spierballentaal. Ze is er nog steeds trots op dat ze Kosygin bij een bezoek aan Moskou ""onomwonden'' de waarheid zei en hem op zijn verantwoordelijkheid wees voor het lot van de honderdduizenden Vietnamese bootvluchtelingen die als slachtoffer van een communistisch regieme over de wereldzeeën zwierven. De premier van de Sovjet-Unie voelde zich niet aangesproken en zei dat het bovendien ""allemaal drugsgebruikers en misdadigers'' waren. Waarop Thatcher onmiddellijk lik op stuk gaf: ""Wat? Één miljoen mensen! Is het communisme zo erg dat een miljoen mensen drugs moeten gebruiken of moeten stelen om in leven te blijven?'' Kosygin, zo schrijft ze, stapte van het onderwerp af. Thatchers onomwondenheid had niet meer dan een averechts effect bereikt. Zij erkende niet dat zij zich aan een diplomatieke blunder had schuldig gemaakt, maar verpakte haar knoeiwerk in een gezwollen frase: ""Later verwees ik de zaak (van de bootvluchtelingen) naar de VN - de kwestie was te groot om door één land te worden aangepakt.'' Ze schoof de kwestie dus door naar een orgaan waarin ze eerder schrijft hoegenaamd geen fiducie te hebben.

Alleen op het punt van budgetbeheersing liet zij in Europa met vaste stem een eigen geluid horen, maar dat raakte dan ook het Britse belang. Ze hamerde op het aambeeld van de geldverspilling in de bureaucratie van de Europese Gemeenschap maar vooral op de onredelijkheid van de hoge netto-bijdrage van Groot-Brittannië aan de begroting van de EG. Onder het motto (haar feitelijke lijfspreuk): ""Ik moet hier absoluut duidelijk over zijn'' zette ze al haar energie in voor een restitutie van de Britse landbouwcontributies. Ze hoefde er niet aan te verdienen, maar ze weigerde onevenredig meer te betalen dan de Britse landbouw terugkreeg. De ijzeren dame schrijft dat ze nooit werkelijk heeft overwogen de Britse bijdrage aan de EG stop te zetten (waarover destijds druk werd gespeculeerd), maar ze vond het wel prettig dat de Europese partners met die mogelijkheid rekening hielden.

De sleutel voor Thatchers anti-federalisme ligt misschien wel in haar eerste aanvaringen met de vooral aan zichzelf denkende Europese potverteerders. Het strookte niet met haar idee van fair play dat landen met een grote en verouderde agrarische sector buitengewoon werden begunstigd, terwijl de Britse economie, die minder afhankelijk was van de landbouw, minder kreeg en de Britse boerderijen ""in het algemeen groter en doeltreffender (zijn) dan die van Frankrijk en Duitsland''. Bij Giscard en Schmidt vond ze enige steun. Beiden waren immers minister van financiën geweest en konden voor haar grieven wel begrip opbrengen. Het nam haar voor de beide heren in (meer dan voor de EG) dat haar ten slotte enige budgettaire verlichting werd toegestaan. ""Ook ontging het mij niet dat Giscard en Schmidt tegen elkaar in het Engels spraken, maar ik was zo tactvol daar geen opmerking over te maken,'' schrijft ze met een schouderklopje voor zichzelf.

Voor Giscard liep ze overigens nooit zo warm als voor Schmidt. Giscard hoorde volgens haar thuis in de categorie verwarde geesten, evenals de Italiaan Andreotti. Dat verwarde sloeg op Giscards economische denkbeelden, die ze zonder nadere adstructie typeert als Keynesiaans. Ze lustte hem vooral niet omdat de Franse president zo vloeiend sprak dat er - voor haar - nooit een speld tussen te krijgen was. ""Het was perfect opgebouwd proza dat geen onderbreking leek te dulden.'' Maar Giscard was tenminste nog een aristocraat, wat van Andreotti niet gezegd kon worden. Hoewel ze van diens relaties met de netwerken van de mafia nog niets af kon weten, had ze een intense afkeer van zijn compromissoire natuur. ""Andreotti leek een echte aversie van principes te hebben, die wekten zijn lachlust op.'' Veel meer affiniteit had ze met de Italiaanse premier (de latere president) Cossiga, die bekend stond om zijn on-Italiaanse integriteit. Het lag voor de hand dat Cossiga bij haar geen kwaad kon doen, want hij was zowel anglofiel als een bewonderaar van de Glorious Revolution ""die de geboorte inluidde van onze liberale politiek''.

JINGOÏSME

Margaret Thatcher liet zich erop voorstaan de eerste premier van Groot-Brittannië te zijn met een verleden in wetenschappelijke research. Daarom liet ze bij haar aantreden in Downing Street 10 de portretten en borstbeelden van de beroemdste Britse geleerden in de kleine eetkamer plaatsen, waar ze vaak lunchte met bezoekers en ambtgenoten. Op diezelfde gronden had ze ook veel op met ""de uitgesproken intelligente'' president Carter, wiens beleid haar overigens grotendeels tegenstond. ""Carter had een uitstekend inzicht in de wetenschap en de wetenschappelijke methode, iets wat je zelden ziet bij politici.'' De lezer die zojuist haar glimmende wetenschappelijke medailles heeft mogen bekijken, zal de ironie niet ontgaan dat zij nog maar veertig pagina's eerder meedeelt de door premier Edward Heath ingestelde onafhankelijke braintrust van haar ministerie te hebben opgedoekt. Haar krachtige overtuiging en onafhankelijk wetenschappelijk advies konden nu eenmaal niet samengaan. ""Een regering met een overtuigde filosofische tendens was onvermijdelijk een minder comfortabele omgeving voor een instelling met een technocratische opvatting.'' Aan tegenspraak had ze geen behoefte.

De ministers die ze voor haar kabinetten zocht hoefden niet noodzakelijkerwijs ja-knikkers te zijn, maar de economische ministers moesten toch wel zoveel aanhanger zijn van haar economische strategie dat onafhankelijke doorlichting van het kabinetsbeleid in die congeniale sfeer helemaal niet nodig was.

Uit The Downing Street Years blijkt dat de "ijzeren dame' haar bijnaam met graagte droeg. Zij koketteerde er openlijk mee in de Sovjet-Unie waar men haar een formidabele figuur vond (Russische journalisten hadden haar in de oppositiejaren ook het eerst die bijnaam gegeven) en zij liet zich graag de vergelijking met Catharina de Grote aanleunen. Toch maakt zij er geen geheim van dat haar hart onder politieke spanning meer dan eens in haar keel klopte. In een moment van menselijkheid waarop ze zich in bijna duizend pagina's maar een enkele keer laat betrappen, erkent ze dat ze tijdens de oorlog over de Falkland-eilanden, in de uren van haar grootste beproeving, lang niet zo zelfverzekerd was als zij in het Lagerhuis en op de televisie voorgaf. Bij elke melding van persoonlijke verliezen voelde ze zich schuldig ""over het comfort, de bescherming en de veiligheid van Downing Street 10''. Diep gekwetst was ze door de kritiek van de liberaal David Steel die haar het verwijt van jingoïsme (agressief patriottisme) maakte, maar het meest door de beschuldiging van "verlustiging in de slachtpartij' door de bedaarde veteraan van Labour, Denis Healy (die het woord slachtpartij terugnam).

PETITE HISTOIRE

Haar weergave van de politieke besluitvorming over de militaire actie tegen de Argentijnse krijgsmacht in mei en juni van 1982 vormt het meest leesbare deel van haar memoires. De militaire geschiedenis moge intussen overbekend zijn, de petite histoire van die oorlog is dat niet. Interessant is het verschil in perceptie van de politieke doelstellingen dat zich in die omstandigheden openbaart tussen een verantwoordelijk premier en de oppositie. De eerste hield zichzelf elke dag voor dat zij het motief van de oorlog nooit uit het oog mocht verliezen (om de bevolking van de Falkland-eilanden het eerder beloofde zelfbeschikkingsrecht te verzekeren). De tweede schreeuwde het elke dag van de daken dat de staat geen militairen mocht opofferen aan de beslechting van een prestigeconflict. Thatcher praatte zichzelf moed in voor de spiegel en betoogde: ""Wanneer je oorlog voert mag je je gedachten niet door de moeilijkheden laten overheersen. Je moet een ijzeren wil tonen om de oorlog te winnen. Wat was trouwens het alternatief? Dat een huis-, tuin- en keukendictator zou heersen over de onderdanen van de koningin en zou overwinnen door bedrog en geweld. Niet zolang ik premier was.''

Bij Thatcher speelde nog een zenuw op: tal van eilanden in het bedreigde gebied waren eigendom van de Britse koningin. Dat kreeg de Amerikaanse minister van buitenlandse zaken Al Haig in niet mis te verstane termen te horen nadat hij een publieke verklaring had afgelegd over het strategische belang van de Amerikaans-Britse samenwerking op het eiland Ascension. Haig moest zijn mond houden. Het eiland was van de koningin. En nadat de eilanden bevrijd waren, ging Margaret Thatcher onmiddellijk op audiëntie op Buckingham Palace om Elizabeth te vertellen: ""Your Majesty, uw eilanden zijn zojuist heroverd.'' Premier Thatcher verloor in de Falkland-oorlog niet alleen HMS Sheffield en vele militairen (verliezen die ze zich persoonlijk zeer aantrok) maar ook haar minister van buitenlandse zaken, Peter Carrington, die ontslag nam toen hij als de politieke zondebok voor het uitbreken van de vijandelijkheden werd aangewezen. Zij geeft Carringtons motief in het geheel niet weer, maar volstaat met de curieuze verklaring dat ""Peter besloot dat hij moest aftreden nadat hij de kranten van maandag had gelezen en vooral het hoofdartikel van The Times''. Misschien was het toch niet zo gelukkig dat Carrington minister in het Hogerhuis was. ""Peter was in het nadeel: als persoon van adel bezat hij met geen van de gewone parlementsleden het soort vriendschap en verstandhouding waarop we allemaal moeten vertrouwen in tijden van spanning, wanneer de druk toeneemt.''

TIRADES

Mevrouw Thatchers memoires behoren niet tot de rijke gedenkschriftenliteratuur waarmee de Engelse cultuur zo ruim bedeeld is. Ze is totaal gespeend van humor en haar observaties over de Britse politiek blinken nergens uit door nauwkeurigheid. Haar triomfalistische overwinningstoespraken over ""de dictatuur van fascistisch links'' zijn demagogische zeepkisttirades die de navrante verdeeldheid van de Britse samenleving weerspiegelen. In haar terugblik op een van haar grootste wetgevende prestaties, de noodzakelijke, door Labour altijd ontweken sanering van de Britse vakbondsdemocratie, ontbreekt de grootmoedigheid van de overwinnaar. Maar Margaret Thatcher is wel zo eerlijk dat ze nergens poseert als een bovenpartijdige instelling. Ze geeft zich in haar memoires ook niet uit voor iemand anders: ze is het meisje uit de middenklasse dat zich tot minister-president heeft opgewerkt en zichzelf beschouwt als de hoedster van de waarden en deugden van de Engelse middenklasse.

Niet meer dan de helft van Thatchers memoires is belangwekkend (het deel waarin zij over haar ervaringen met ministers, mijnwerkers, stakingsleiders en politieke rivalen schrijft), de rest had in de papiervernietiger moeten eindigen. Het is een straf dit, in de Nederlandse vertaling, bijna duizend bladzijden dik boek te moeten lezen. Die onzinnige omvang wordt in het geheel niet gerechtvaardigd door de leesbaarheid. Thatcher (of het team van ambtelijke auteurs dat haar geholpen heeft) heeft in één keer elke glorieuze dag van haar glorieuze premierschap willen verantwoorden. In plaats van zich te beperken tot een aantal hoofdproblemen en die in een lopend verhaal te beschrijven, heeft ze schaamteloos haar agenda's van al die jaren leeggeschud en elk gesprek en elk bezoek zonder onderscheid naverteld - in haar eigen dan wel in geleende woorden. Een groot deel van al dat overbodige papier is bovendien nog gevuld met een parafrase van het partijprogramma der Conservatieven. De eerste uitgever die de moed heeft dergelijke boeken tot de helft uit te dunnen verdient een standbeeld.