Oesters

Engelse particuliere scholen hebben de reputatie soms wat zonderling te zijn. Bekende schrijvers hebben hun schooltijd op beroemde Public Schools beschreven, soms met bloedstollende details, zoals Roald Dahl, die 's winters gedurende een half uur de WC-bril (de WC's bevonden zich buitenshuis) voor een prefect, dat is een soort ouderejaars, met zijn billen moest voorverwarmen. Maar ook minder bekende scholen hadden hun eigenaardigheden: ik herinner me een beschrijving van iemand wiens ouders hem op zijn (progressieve) school kwamen opzoeken en de meisjes aantrof in een kring, terwijl de jongens er om heen draafden en golvende zwembewegingen maakten. ""Wat doen jullie toch?'' vroegen de ouders. ""Wij zijn de spermatozooën,'' was het antwoord, ""en zij zijn de eitjes. Die moeten bevrucht worden.''

Mijn middelbare school was een gewone meisjesschool in Buckinghamshire; daar speelden we dergelijke spelletjes niet, maar dat ook onze school haar merkwaardige kanten had kwam in die tijd niet bij mij op. Zo heb ik eens, tijdens een uitvoering van een strijkkwartet, alleen en zonder hulp de hele schoolbibliotheek naar een ander lokaal verhuisd. Het was een warme dag en ik draafde heen en weer met torenhoge stapels boeken (veel Anya Seton, Daphne du Maurier, Gerald Durrell) langs eindeloze gangen met op de achtergrond het gedempte schrapen van de violen gevolgd door lusteloze applausjes. De amateur-concerten, die wij het voorrecht hadden eens per jaar te beluisteren, waren in feite verplicht; alle andere meisjes van de school behalve ik zaten gevangen in de aula, met geen andere troost dan voorspelbare aanvallen van gegiechel om de positie van de benen van de celliste.

Ik had mij eraan weten te onttrekken door de headmistress te vertellen dat de hoge noten van de viool mij onwel maakten, maar ik had niet verwacht dat daar veel begrip voor zou worden getoond en was nogal uit het veld geslagen toen ik te horen kreeg dat ik het concert dan niet hoefde bij te wonen. Misschien sympathiseerde zij in het geheim met me: zij was zelf berucht onmuzikaal. De pogingen van de school om Music Appreciation te geven (De Nieuwe Wereld Symphonie gespeeld voor de zesdeklassers op een antieke pick up, met het volume omhooggedraaid in de zachte passages en omlaag bij de harde, om de klas ernaast niet te storen) werden verzorgd door de muzieklerares, Miss Ruddock. Zij waren vriendinnen, hechte vriendinnen, de Headmistress en Miss Ruddock, en er circuleerden gedetailleerde geruchten over hoe hecht dat precies was. Zij bezaten gezamenlijk twee corgies, net als de koningin, en hadden een stijlvolle zitkamer boven, waar wij soms een steelse blik in konden slaan.

De Headmistress was de dochter van een bisschop en hield zich nogal op een afstand, die mede door de aanwezigheid van de corgies iets koninklijks had; ik at bij haar aan tafel; het enige dat ik me kan herinneren haar in mijn zeven jaar aan die school te hebben horen zeggen is dat oesters nog leven wanneer je ze opeet. Ze had geen favorieten onder de meisjes, in tegenstelling tot Miss Ruddock: die wist soms veelbelovende kinderen te strikken, om ze te cultiveren. Dat leidde dan tot speciale school-muziekuitvoeringen - een veel en veel grotere beproeving dan de amateurconcerten die ik al noemde. Zo herinner ik mij een opmerkelijke verkorte versie van Der Rosenkavalier, waarin de sterrol werd vervuld door een protegée van Miss Ruddock. De hoge trap waarop haar muzikale prestaties heetten te staan bleek vooral uit haar niets ontziende en met ijzeren wil voortgebrachte tremolo; iedere noot werd gezongen met een vibrato of de Oostenrijkse Alpen tot stof moesten worden getrild, in nogal opvallend contrast met een zeer passieve en kwijnende wijze van acteren.

Er waren nog andere jaarlijkse gebeurtenissen: de schoolreis, we werden dan voorzien van schoolsandwiches en in bussen naar de dierentuin gebracht, en de regelmatig terugkerende projectie van de film Lassie in de onvolkomen verduisterde aula; en dan was er the animal man, de dierenman. De dierenman hield een korte toespraak over dieren en daarna mochten de meisjes een voor een zijn slang voelen. Het was een python, of misschien een boa constrictor, dat durf ik niet met zekerheid meer te zeggen, maar ik herinner me levendig de aanraking met de koele, gladde huid. Hij bracht ook altijd een koalabeer mee, in een kooi gewikkeld in een deken, maar we mochten hem alleen maar beluisteren - je kon een vaag gesnuffel horen - nooit haalde hij hem uit de kooi, altijd met de uitleg dat hij sliep en bovendien slechtgehumeurd was en zou kunnen bijten. De dierenman vertelde dat hij voor die koalabeer helemaal naar Australië was gereisd en dat het dier leefde van eucalyptusbladeren. Ieder jaar vertelde hij dat verhaal en ieder jaar bleef de kooi ingepakt en gesloten. Naarmate de jaren vorderden verminderde onze opwinding, maar wat ik me nu afvraag, of hij ons niet grandioos in de maling nam, kwam eenvoudig niet bij ons op; het zou van een bewonderenswaardige impertinentie zijn meisjes tegen betaling aan je slang te laten voelen en ze wijs te maken dat er een slechtgehumeurde koalabeer in een kooi zat in plaats van een slaperige marmot.

We kregen ook lezingen met lichtbeelden van vrouwelijke personen in witte jassen over dingen als voet-hygiëne, maar daar tussendoor, op een onvergetelijke dag, werd opeens een verrassing aangekondigd. Ik zat toen in de hoogste klas en verbaasde mij over niets op school; de kleintjes waren vol verwachting, maar wij niet. Toen werd er aangebeld; ik had "dienst' en ging opendoen; ik verwachtte een groepje ernstig uitziende mensen met muziekinstrumenten, maar toen de deur openging stond ik oog in oog met twee levensechte cowboys in vol ornaat - hoed, halsdoek, schaapsleren broek, accent, laarzen en rinkelende sporen - waarvan de een mij als volgt aansprak (ik verzin het niet, het is de zuivere waarheid): ""Howdy, Ma'am.''

In een recent verleden gingen Britse schrijvers vloekend en zuchtend op lezingtournee in de Verenigde Staten. Wanneer ze slecht bij kas waren flansten ze een paar lezingen in elkaar en vertrokken om voor damesgezelschappen in de kalmere regionen van het Midden-Westen de registers van hun charme open te trekken. Trollope deed het, en Waugh, en Auden, en zelfs als ik me goed herinner Beverley Nichols. Dit was de revanche, export uit het Amerikaanse Wilde Westen naar the Old Country, een paar goud-eerlijke cowboys die om er wat bij te verdienen het circuit van de particuliere meisjesscholen kwamen doen. Het was op zichzelf al bevreemdend dat ze er waren, en lezingen gaven over dingen als het effect op korte afstand van een kogel uit een Colt (""Geen tijd voor laatste woorden, girls, dan zouden ze de stukken van je moeten oprapen all over Main Street''), maar waar mijn verstand bij stil staat is dat de Headmistress ze had uitgenodigd. Hoe kwam ze aan ze? Hoe kwam ze er op om dat te doen? Zaten zij en Miss Ruddock daar boven in dat stijlkamertje stiekem naar Westerns te kijken?

Mijn school was niet in de categorie van Llanabba, in Decline and Fall van Evelyn Waugh, waar Paul Pennyfeather onderwijzer wordt nadat hij uit Oxford geschopt is, met de verschrikkelijke Captain Grimes, Mr Prendergast en zijn religieuze twijfels, en Flossie en Dingy, de terneergeslagen dochters van de Headmaster, en waar op Sportdag vreemde ongelukken gebeuren (""Mijn zoon is gewond geraakt aan zijn voet,'' zei Lady Circumference koeltjes. ""Lieve hemel! Niet ernstig hoop ik? Enkel verstuikt bij het springen?'' ""Nee,'' zei Lady Circumference, een van de hulponderwijzers heeft op hem geschoten. But it is kind of you to inquire.'') In waarheid scheen mij, toen ik er was, alles volkomen normaal toe, of in elk geval niet vreemder dan de scholen waar anderen op gingen - op die van mijn broer droegen alle leerlingen, zelfs jongemannen van achttien, een korte broek en iedereen moest 's morgens voor het ontbijt in looppas een heuvel beklimmen. Maar soms denk ik aan de corgies, de oesters, de cowboys en de koalabeer en dan bevangt mij de twijfel.

    • Sarah Hart