NIET DE BESTEMMING MAAR DE REIS

Alles over ontwikkeling. Over de grondslagen van de ontwikkelingspsychologie door Gerrit Breeuwsma 403 blz., Boom 1993, ƒ 48,50 ISBN 90 5352 0694

Waarom noemt iemand zijn boek Alles over ontwikkeling en geeft het tegelijkertijd als motto mee "Maar men kan niet over alles schrijven. Alles. Alles moet u zelf maar meemaken'? Dit maakt nieuwsgierig naar de volgorde in dit keuzeproces. Koos de schrijver het motto, al wetend wat de titel zou worden? Of koos hij het motto en kwam daar later de titel uit voort? Dit zijn aardige vragen, omdat het een voorbeeld is van de twee redeneerstijlen en daarmee van twee theorievormen die voorkomen in het wetenschappelijk denken over het verschijnsel "ontwikkeling' en die in het boek met elkaar worden vergeleken, voor wat betreft de ontwikkelingspsychologie.

In retrospectieve theorieën gaat men uit van een bekend einddoel (titel) waar de ontwikkeling op moet uitkomen en worden opeenvolgende stadia beschreven als niveaus van steeds hoger orde, omdat ze het einddoel steeds dichterbij brengen. De lijn waarlangs de ontwikkeling vanaf de geboorte verloopt ligt vast, laat weinig ruimte voor individuele variatie en maakt voorspellingen mogelijk. Het woord "retrospectief' kan in verband met einddoel op het eerste gezicht enigszins verwarrend zijn, daar het immers de betekenis heeft van "terugziend'. Het moet echter waarschijnlijk zo worden opgevat dat het huidige stadium slechts terugziend vanuit het einddoel betekenis en status heeft.

In prospectieve theorieën gaat men niet uit van de eindtoestand die moet worden bereikt, maar van de begintoestand (motto) en van de diverse ontwikkelingsprocessen die daarop kunnen volgen. Waar het op uit loopt blijft open en is pas fase voor fase achteraf vast te stellen.

TEGENSTRIJDIGHEDEN

De psychologie is geen cumulatieve wetenschap, waar kennis zich opstapelt doordat elk volgend onderzoek voortbouwt op wat reeds bekend is binnen één theoretisch kader en de daarvan afgeleide redeneermodellen. Er vigeren talrijke theorieën naast elkaar, waardoor de versnipperde deelgebiedjes weinig samenhang vertonen. Veel ontwikkelingspsychologen verdiepen zich ook niet in de impliciete wetenschapstheoretische grondslagen van de theorie die zij als uitgangspunt voor hun werk nemen. Ze houden zich niet bezig met vragen als "Wat is ontwikkeling eigenlijk?' of "Waarom zou er ontwikkeling (moeten) zijn?' of "Wat maakt ontwikkeling mogelijk?', noch met de verschillende antwoorden die daarop zijn gegeven. En als ze theorieën van diverse pluimage willen combineren ontgaat hun daardoor soms de onmogelijkheid wegens de fundamentele tegenstrijdigheid die er achter kan zitten.

Breeuwsma houdt zich met deze vragen wel bezig en heeft in dit boek - de handelseditie van zijn proefschrift - de grondslagen van het ontwikkelingspsychologisch denken in kaart gebracht. En omdat hij een helder denker en een goed stilist is, is het een interessant boek geworden. De kennis die wordt verondersteld wisselt per hoofdstuk - een bewerkte lezing is toegankelijker dan een bewerkt artikel uit een vaktijdschrift - maar in het algemeen is het een boek voor vakgenoten.

De klassieke ontwikkelingspsychologische theorieën zijn doortrokken van het vooruitgangsdenken, dat op zijn beurt onder invloed heeft gestaan van de evolutietheorie. Breeuwsma heeft daarop onder meer twee belangrijke kritiekpunten. Enerzijds dat hiermee de theorie van Darwin wordt "verminkt' en "getemd', want eigenlijk was Darwin een prospectief denker, die juist een grote rol toekende aan toeval. Dat de evolutie leidde tot levensvormen van steeds hoger orde was wel een gevolg, maar geen doel van de ontwikkeling. Anderzijds heeft het retrospectieve denken veroorzaakt dat sterk de nadruk kwam te liggen op vooral de rationele kanten van de ontwikkeling - denken en taal - waar je bij iedere stap inderdaad kunt spreken van verder en hoger. Andere domeinen van de ontwikkeling worden hooguit herleid tot het rationele. Zo is in de theorie van Piaget de gewetensontwikkeling ondergeschikt aan de cognitieve; de notie van goed en kwaad volgt waar het kind verstandelijk toe in staat is. Kohlberg, die deze beide ontwikkelingen wilde ontkoppelen kwam toch weer tot een retrospectieve theorie, en moest zich daarbij dan ook beperken tot moreel redeneren.

TEGELTJESWIJSHEID

Aan de hand van drie fenomenen - magisch denken, dromen en artisticiteit - pleit Breeuwsma voor de gelijkwaardigheid van een prospectieve benadering, als er wel een ontwikkeling te constateren valt, maar er geen sprake is van "verder' en "hoger'. Men kan niet zeggen dat de beer die in het kinderbedje absoluut links bovenin moet liggen wil de kleuter gerust gaan slapen, een "lager' voorstadium is van dat ene rugnummer dat een voetballer beslist wil hebben om vol zelfvertrouwen het veld op te gaan.

De prospectieve benaderingswijze is opgeleefd toen de ontwikkelingspsychologie zich verlengde tot levenslooppsychologie en zich ook ging bezighouden met de levensfasen na de kindertijd. Terwijl voor kinderen ten aanzien van de ontwikkeling van allerlei vermogens nog wel een einddoel is te formuleren, is dat voor volwassenen moeilijk, zo niet ondoenlijk. Het netwerk van contextuele variaties is daar te groot. Wat dat betreft was de tegeltjeswijsheid Van het concert des levens krijgt niemand een program een adequater motto geweest. Maar het citaat van Jan Hanlo - niet Anlo, zoals hij abusievelijk wordt genoemd - is natuurlijk mooier.

    • Rita Kohnstamm