KWARTJE

Het muntje dat nu zo onnozel in mijn handpalm ligt, zou ik zelf verdiend kunnen hebben in het jaar waarin het werd geslagen. Boven de cijfers twee en vijf staat 1976, en daaronder het woordje "cent'. De cijfers en letters zijn omcirkeld, waar omheen versieringen zijn aangebracht, die Arabisch aandoen. Op de keerzijde van de munt is het Surinaamse wapen gegraveerd: twee Indianen met ieder een pijl en boog om de schouder, en tussen hen in een ovaalvormig schild, dat verdeeld is in twee helften. Op de linkerkant staat een zeilschip, als in de tijd van Columbus, en aan de rechter kant een palmboom, met precies in het midden een ruit met daarin een enkele ster. Onder de Indianen en het schild loopt, weet ik, een lint waarop staat: "Justitia, Pietas, Fides' - gerechtigheid, liefde en trouw - maar dat is op dit muntje alleen met een vergrootglas te zien. Daaronder weer staat in fiere blokletters: SURINAME. Het geheel is omringd door een krans van bladeren, of doornen, dat valt moeilijk te zeggen.

Dit wapen is in feite het oude zegel van de West-Indische Compagnie, die de slavernij in Suriname beheerste. De Surinaamse regering die in 1975 de onafhankelijkheid uitriep besloot niet zelf iets te ontwerpen, maar aan de bestaande symbolen simpelweg een andere betekenis te geven. Per decreet staat het zeilschip nu niet voor de trots van de slavenhandelaar, maar voor het verdriet van de slaven zelf. De koningspalm op de rechterhelft staat niet voor tropische rijkdom, maar voor "de gerechte mens'. De ruit blijkt als het hart van de liefde te moeten worden opgevat, in gestileerde vorm, terwijl de ster staat voor vertrouwen, hoop en verwachting. De vijf punten van de ster, verordende de Surinaamse regering, verwijzen tegelijk ook naar de vijf belangrijkste bevolkingsgroepen in het land.

In 1976 had ik deze nieuwe betekenissen volstrekt logisch en begrijpelijk gevonden. Ik was net van de middelbare school af en stelde de vanzelfsprekende reis naar Holland nog even uit om eerst "van het land te genieten', wat veel jongens in die tijd deden. We stonden in hoog aanzien, als aanstaande artsen en doctorandussen, en we hadden dolle pret omdat we zulke aantrekkelijke huwelijkskandidaten waren. Welke vader zou niet zijn dochter mee naar Holland willen sturen?

Ik werkte als typist bij een persbureau en verdiende driehonderd en vijftig gulden in de maand. Dat was veel, hoewel iets minder dan tien jaar daarvoor, toen een Surinaams kwartje gelijk was aan vijftig Nederlandse centen. Op de lagere school kon ik met een kwartje een Surinaams puntje kopen, rijkelijk belegd met in peper gebakken sardientjes en tomatensaus, waarna ik nog geld overhield voor een flesje zuurwater, de Surinaamse variant op Roosvicee. Voor een kwartje kon ik ook een chocolade ijsje met nootjes krijgen, of vijf loly's, of vijf filtersigaretten, als ik stoer wilde doen. Een kwartje per dag was voor scholieren een vermogen, dat iedereen toch heel gewoon vond.

Na de onafhankelijkheid werd alles ineens duurder en had je wel twee kwartjes nodig voor een belegd broodje, maar ach, het was zo'n gelukkige tijd dat je aan zulke kleine dingen geen aandacht schonk. De waarde zat niet in de koopkracht van de munt, maar in de versiering ervan. Justitia, Pietas, Fides. Eindelijk was er gerechtigheid, omdat we ons hadden bevrijd van de koloniale overheersers, die ons driehonderd jaar hadden onderdrukt en uitgebuit. Eindelijk was er liefde, omdat de creolen en hindoestanen elkaar in de armen waren gevallen, op dat middernachtelijke uur van 25 november 1975. Eindelijk konden we elkaar trouw beloven, eeuwige trouw aan grondwet en vaderland.

Maar we hielden die eeuwige trouw niet zo lang vol. Eigenlijk maar vijf jaar. Sinds 1980 schoten we de grondwet aan flarden, en nog vijftien prominente politici, en nog enkele honderden naamloze burgers in het verre binnenland. Justitia, Pietas, Fides, zei het kwartje, maar het was geen mensenleven meer waard. De handelaren wilden het kwartje niet meer, leek het, want ze barricadeerden hun winkels en etalages met traliewerk en ijzerdraad en maakten kooien rond de kassa's waar de cassières als vogeltjes in zitten opgesloten. Deze cassières nemen de bundels papiergeld en gooien een paar kwartjes terug, waar de ontvanger geen raad mee weet.

Nu, in 1993, is het Surinaamse kwartje een halve Nederlandse cent waard, en het structurele aanpassingsprogramma, waar de hele wereld om vraagt, betekent in de praktijk dat de prijzen met honderden procenten tegelijk stijgen. Maar aangepast wordt er wel degelijk: dit schooljaar schijnen minder leerlingen op de scholen te zijn verschenen dan vorig jaar, omdat veel ouders die op het platteland wonen hun kinderen hebben teruggehaald. Ze kunnen dat dagelijkse belegde broodje met in peper gebakken sardientjes en tomatensaus niet betalen. Het kost nu zeven gulden vijftig.

Het drama voltrekt zich zo snel, dat iedereen het verslagen gadeslaat. Alsof het buitenstaanders zijn, toeschouwers, alsof het hen niet echt aangaat, alsof het maar een nachtmerrie is en ze straks zullen ontwaken in het paradijs van 1976. Ik heb voor de grap aan alle mensen die ik in Suriname tegenkwam gevraagd wat je nu nog met een kwartje in dit land kunt doen. De meeste mensen kijken me eerst verbijsterd aan, alsof ik een onzedig voorstel heb gedaan, maar beginnen dan toch te lachen. Inderdaad zijn er nog dingen die je met een kwartje kunt doen. Je kunt er bijvoorbeeld een veiligheidsspeldje mee kopen, van de kleinste maat. Of een rubberen elastiekje. Als je een baby hebt en een bon aanvraagt, kun je er een halve liter melk mee krijgen, hoewel ze hier geen halve liters verkopen. Je kunt met een kwartje een lokaal telefoongesprek voeren. Je kunt er zelfs de veerboot mee betalen en de vijf kilometer brede Surinamerivier oversteken, omdat de veerboottarieven nog niet zijn aangepast. En je kunt er een enkele peper mee kopen, zo'n giftigheet pepertje dat Madame Jeanette heet.

Het kwartje dat ik in mijn hand hou heeft een gekke geschiedenis achter de rug. Ik kreeg het al de eerste avond dat ik in Paramaribo was. Moe, maar net niet moe genoeg besloot ik aan de overkant van het hotel een biertje te gaan drinken. Achter de bar stond een magere Javaanse jongen van een jaar of achttien, in een onberispelijk wit hemd en een zwarte broek. Hij keek me aan met die milde glimlach van de ingezetene die de bizarre buitenlander tegemoet komt, en ik voelde me beledigd, omdat ik me helemaal geen buitenlander wilde voelen. Maar tot overmaat van ramp hoorde ik mezelf om een "Surinaamse Parbobier' vragen, alsof er ook niet-Surinaamse varianten bestonden. Zijn glimlach werd breder, en ik wist mij van schaamte geen raad, wat ik compenseerde met bitsheid: "Ik wil hem dáár hebben', zei ik, en ik wees naar een tafeltje op het terras. Zo. Nu moest hij me maar bedienen alsof ik een buitenlander was. Hij bracht mij mijn biertje, ik betaalde met een achteloze bundel, en hij gaf me dit kwartje terug. Een kwartje uit 1976, toen ik zelf ook achttien was, en even lang was als hij, en even mager en even Surinaams. We waren voor hetzelfde kwartje geboren, maar hij eindigde onwillekeurig met een halve cent. Hij was dus alleszins gerechtigd om mij het land uit te wijzen, zonder er een woord aan vuil te maken.

    • Anil Ramdas