"Ik reed de laatste Tour met één, anderhalf been'

Hij heeft onvergetelijke hoogtepunten beleefd en is door diepe dalen gegaan. De gentleman-wielrenner Stephen Roche wordt volgende maand 34 jaar en zet een punt achter zijn loopbaan. De Ierse knokker is versleten, door blessures. “Altijd, altijd pijn.”

SAGY-SAILLONCOURT, 23 OKT. Aan inzet heeft het hem nooit ontbroken. Als jongetje was hij al een nijver baasje. “Mijn vader was melkboer”, vertelt Stephen Roche, “elke dag maakte hij zijn vaste ronde in Dublin. In het weekeinde en op vrije dagen, als ik niet naar school hoefde, ging ik altijd mee om hem te helpen. We vertrokken 's ochtends om half vijf. Om een uur of tien waren weer thuis. Dan pas had ik tijd voor de fiets, ging ik weg voor een trainingstocht. Koersen was toen nog een spelletje voor me, ik nam het niet zo serieus.”

Op zijn vijftiende ging hij in een fabriek werken, als leerling-loodgieter. “Ik kreeg heel, heel weinig geld”, herinnert Roche zich nog. Hij begon met omgerekend 35 gulden per maand, een jaar later ontving hij het dubbele en het derde jaar bedroeg zijn maandsalaris 130 gulden. Op zijn achttiende had hij 650 gulden in zijn loonzakje. “Op de zaterdagen en voor drukke dagen als Kerstmis bleef ik meegaan op de melkwagen”, zegt hij, “dat beschouwde ik als mijn plicht. Ik heb het heel lang volgehouden. Zelfs op mijn tweeëntwintigste, toen ik al prof was in Frankrijk, ging ik in de winter naar Dublin om mijn vader te assisteren.”

Als tiener raakte hij steeds meer in de greep van het wielrennen. Roche begreep snel dat het Ierse programma veel te beperkt was. Om zich te ontplooien moest hij naar het buitenland. “In het wielerseizoen ging ik 's zondags vroeg nu en dan met de boot naar Engeland, waar méér wedstrijden waren. 's Maandags, om half zeven in de ochtend, kwam ik dan weer terug in Dublin. Om half acht stond ik weer in de fabriek. Crazy, hè? Een keihard leven was dat. Al mijn vakantiedagen nam ik op voor grote koersen op het Europese vasteland. Dus een echte vakantie had ik nóóit.”

Toen hij in 1980 deel uitmaakte van de Ierse olympische selectie ontmoette Roche Lucien Bailly, de directeur van de bekende ACBB-wielerclub uit Parijs. De Fransman vond dat de getalenteerde jonge Ier met gekkenwerk bezig was. Roche herinnert zich de woorden van Bailly nog precies: “Stephen, zei hij, je verknoeit je tijd. Je handelt verkeerd. Het is beter dat je naar ons in Frankrijk komt. Waag het nu maar, probeer daar in wedstrijden uit te blinken. Ik denk dat je je daar goed zult ontwikkelen.”

Roche was er snel van overtuigd dat Bailly gelijk had. De renner ging praten met zijn werkgever, van wie hij onbetaald verlof kreeg. “Mijn collega's waren enthousiast over mijn plan”, kijkt hij terug. “Ze hielden prompt een collecte in de fabriek. Die leverde me ruim 1500 gulden op. Fantastisch hè? Ik had intussen zelf óók al geld gespaard. Door zuinig te zijn, door wat fooien op de melkroute en door op zaterdag trekhaken te maken in ons schuurtje. Die kon ik voor een leuk bedrag verkopen. Ook ging ik er op uit om wasmachines te repareren. Van trainen kwam in de periode voor mijn vertrek natuurlijk niets. Maar ik ging van het volgende uit: Ik kan beter naar Frankrijk gaan met een hoop francs - zodat ik het daar een jaar kan uithouden - dan met een goede conditie en na zes maanden weer naar huis.”

De bijna 20-jarige Roche kon in Parijs maandelijks 4500 francs besteden. Woonruimte kreeg hij gratis van de club, van ACBB. “We zaten met z'n zevenen in een twee kamerappartement. Ik moest mijn eigen eten kopen en koken, zelf de was doen. Maar ik was er beter aan toe dan de andere jongens: veel rijders in het ACBB-team hadden te weinig geld. In februari en maart hadden ze een goede conditie, maar die verdween doordat ze later in het seizoen geen vlees of ander goed voedsel konden betalen. En ze hadden ook geen centen voor ontspanning, voor de bios of zo.”

Vijf maanden was hij in Frankrijk toen Roche naar de directie van ACBB stapte. Met de vraag of hij goed genoeg was voor een contract bij een profploeg. “Is dat niet het geval”, meldde Roche, “dan bel ik mijn Ierse baas dat ik terugkom naar de fabriek.” Stephen, kreeg Roche van de ACBB-leiding te horen, je bent een goede amateur. Je zit in de klassiekers altijd bij de eerste tien. Maar je bent geen winnaar, dus ben je nog niet rijp voor de beroepsrenners. “Die woorden maakten me scherp. Uitgerekend die week werd ik tweede in de Route de France, een belangrijke etappewedstrijd. Twee dagen later won ik Parijs-Roubaix, vervolgens Parijs-Rennes. Nou, ik kreeg meteen een contract bij Peugeot.”

Op zijn tweeëntwintigste trouwde hij met de Française Lydia en spoedig daarna maakte hij kennis met Patrick Valcke, die zijn vriend en raadgever werd. “Een slecht adviseur”, weet Roche nu. “Daar ben ik helaas veel te laat achter gekomen. Niemand wilde Valcke, maar bij elke ploeg waar ik voor reed wou ik dat hij in mijn buurt was. Valcke had een grote mond. Hij beloofde sponsors van alles. Hij waande zich de vedette en ik was de kleine jongen. Als er in het team problemen waren liep hij naar de pers, in plaats van eerst met de teamleiding te praten. Hij voelde zich de big-boss en de geldschieter was alleen maar shit. Maar hij vergat dat die sponsor alles betaalde.”

Door de omgang met de Fransman Valcke had Roche lang een slecht imago. Dat beeld werd nog versterkt door een incident in 1991. Als renner van Tonton Tapis kwam hij te laat aan de start van een tijdrit in de Tour. Hij herinnert zich het voorval als een absoluut dieptepunt: “Maar ik trof geen schuld. Ploegleider Roger de Vlaeminck gaf de avond tevoren de vertrektijd aan alle renners door. Die tijd had ik goed in mijn kop zitten. Op de wedstrijddag ging ik in de buurt van de start nog even weg voor de warming-up. Intussen wist De Vlaeminck dat de tijden waren veranderd. Hij lichtte een aantal ploeggenoten in. Cassani, Colotti, Moreau en mij vergat hij. Cassani, Colotti en Moreau werden gered door de speaker. Die riep ook mij op, maar ik hoorde hem niet, ik was te ver weg.”

Vóór diezelfde Tour trapte De Vlaeminck Roche op zijn ziel door hem te omschrijven als “een luierik, die niets doet voor zijn sport”. De gemiste start sloot daar in de ogen van de Belgische chef d'equipe bij aan. “De Vlae minck hield tegenover de pers vol dat het mijn fout was, dat ik geen zin had in de Tour. Hij is me niet meer onder ogen durven komen, ook die avond niet in het hotel, omdat hij heel goed wist hoe de vork aan de steel zat. Ik geen trek in die Tour? Mijn ouders waren uit Ierland over en mijn vrouw had vakantie geregeld om de Ronde in Normandië met een camper te volgen. De Tour is toch de Tour, die laat je niet zo maar lopen. De Vlaeminck? Eigenlijk heb ik met hem nooit problemen gehad. Om problemen met iemand te hebben moet je die persoon zien. Wel, ik zag hem nooit. Roger heeft een complex: hij is heel erg verlegen, vertoeft altijd op de achtergrond. Hij heeft niet het karakter om je direkt, aan tafel, over iets aan te spreken. Hij communiceert met journalisten over jou, maar niet eerst met jou.”

Roche heeft liever te doen met mensen die recht door zee gaan. Sean Kelly, bijvoorbeeld, zijn beroemde landgenoot. “De vrouw van Kelly is bij de doop van mijn zoontje zijn meter geworden. Elk jaar stuurt ze hem cadeaus met zijn verjaardag en Kerstmis. We bellen elkaar regelmatig, we zien elkaar helaas te weinig, Sean doen dat alleen in de koers. Als ook Kelly met fietsen stopt zal de band zeker inniger worden. Hij is een perfecte vent. Nooit vergeet ik onze samenwerking in het wereldkampioenschap van 1987. Sean had toen heel slecht seizoen. Daarom reed ik reed in de WK-finale veel voor hem op kop. Ineens kwam ik alleen aan de leiding en ik bleef weg. Later zag ik op de video hoe Sean zijn hand opstak toen hij in de tweede groep door de finish ging. Je kunt gemakkelijk tegen iemand zeggen dat je zijn beste vriend bent, die armzwaai betekende voor mij duizend keer meer dan woorden.”

Voordat hij de wereldtitel veroverde had Roche dat jaar de Giro en de Tour gewonnen, een prestatie die tevoren alleen door "De Kannibaal' Eddy Merckx was geleverd. Roche straalt nog als hij aan de ontvangst in Dublin denkt: “Het organisatiecomité wilde het feest eerst in een voetbalstadion laten plaats vinden. Dat bleek te klein. Ook in het grote nationale stadion was onvoldoende ruimte. Toen koos men voor een plein in het centrum, met een podium. Alle aangrenzende straten waren vol. Er was een half miljoen mensen op de been. Fantastisch! En ik kreeg de sleutel van de stad. Slechts achtenvijftig mensen, onder wie John F. Kennedy en Paus Johannes Paulus, kregen dat eerbetoon ook. Met de bejaarde toneelspeelster Morline Potter ben ik de enige die nog in leven is.”

Eind 1987 kreeg Roche opnieuw last van zijn knie, waaraan hij eerder (in 1984) ernstig letsel opliep bij een val in de Zesdaagse van Parijs. Er volgde een operatie, maar die leverde niet het gewenste resultaat op. “Vanaf april 1988 ging ik talloze artsen af: De Belg Martens, wereldberoemde Franse doktoren, Italianen, Spanjaarden. Iedereen zei dat een nieuwe operatie nodig was en daar voelde ik niet voor.”

Pas in 1990 kwam er een einde aan de lijdensweg. Het begon merkwaardig. “Ik ging ik naar Stuttgart voor pr-werk bij Opel. Bij aankomst op de luchthaven bleek mijn paspoort verlopen. Ik mocht van de douane het land in, maar ik moest wel naar de Ierse ambassade voor een stempel. De volgende dag was het zaterdag, dus was de ambassade dicht. De baas van Opel was voorzitter van VfB, dat die dag tegen Bayern München voetbalde. Ik kreeg een kaartje. Tijdens de wedstrijd wees mijn gastheer naar een man op de trinune. "Dat is de clubarts van Bayern', zei hij, "hij is de beste dokter van de wereld. Müller-Wolfahrt heet hij, die moet je zeker raadplegen'. Ik antwoordde: "Ik heb al de beste doktoren van de wereld al gezien. En iedereen wil me opereren'. Toch benaderde ik Müller-Wolfahrt. Een dag later al moest naar zijn kliniek komen. Müller-Wolfahrt zei daar tegen me: "De Belgen kunnen je niet genezen, roep jij, de Italianen niet, de Fransen niet en de Spanjaarden niet. Voordat je zegt dat de Duitsers het niet kunnen, moet je me tien dagen geven'.”

Roche bleef meteen: “Ik kocht een pyjama en belde mijn vrouw om te zeggen dat ik pas over een dikke week weer terug zou zijn. Wolfahrt-Müller heeft me beter gemaakt, ongelooflijk. Geen operatie en na tien dagen kon ik al weer wat oefenen op de fiets. Daarna moest ik geregeld bij hem terugkomen. Hij moest wel een goede dokter zijn, want bij de vele bezoeken aan München ontmoette ik Boris Becker, Bernhard Langer, Jean-Marie Pfaff en tal van andere topsporters in zijn wachtkamer.”

De afgeschreven Roche was weer in orde. Eind 1991 ging hij terug naar de ploeg Carrera, zijn oude liefde. De renner leefde op in de buurt van Davide Boifava, de geduldige ploegleider. Hij was in de Tour een grote steun voor kopman Claudio Chiappucci, die hij herhaaldelijk tot de orde riep, wanneer de overmoedige Italiaan weer eens te vroeg in de aanval wilde. Roche won zelf ook een rit.

Afgelopen zomer maakte hij in de Ronde van Frankrijk opnieuw een sterke indruk. Hij stond zelf verbaasd over zijn prestaties, vooral omdat hij weer veel last had van zijn rug en andere gewrichten. “Door alle knieproblemen ben ik verkeerd op de fiets gaan zitten. Ik reed dit jaar de Tour met één, anderhalf been. Altijd, altijd pijn. Als ik me weer laat opereren neemt dat zeker drie maanden in beslag. En er is geen garantie dat het honderd procent in orde kom. Daarom stop ik.”

Een comité is druk bezig met het organiseren van een groots afscheidsfeest: op 6 november in Menucourt en een dag later in Roche's woonplaats Sagy-Sailloncourt. Daar is Roche voor het laatst op de racefiets te bewonderen. Het peloton raakt een kleurrijke knokker kwijt.

    • Guido de Vries