IJVER EN KARAKTER; De levensloop van Johan Huizinga

Johan Huizinga. Leven en werk in beelden & documenten door Anton van der Lem 309 blz., geill., Wereldbibliotheek 1993, ƒ 59,50 (geb.), ƒ 49,50 (paperback) ISBN 90 28416 52 8 (geb.) ISBN 90 28416 18 8 (pbk.)

Johan Huizinga kwam op zaterdag 7 december 1872, 's middags om half twee, in Groningen ter wereld als een grijsgeboren kind. Saai is misschien het woord niet, maar vanaf zijn eerste blik op de wereld was "Han' te oud voor zijn jaren, bloedserieus, op zichzelf geconcentreerd, en bijkans overdreven gewetensvol ten opzichte van zijn eigen daden. Hij was, kortom, niet bepaald een jongen om samen kattekwaad mee uit te halen, het buurmeisje aan haar vlechten te trekken, of ballen door ruiten te schoppen. Integendeel, van lichamelijke bezigheden (behalve wandelingen langs bezienswaardigheden, met zelf meegenomen boterhammen) moest hij weinig hebben. De latere historicus miste elke vorm van motorische soepelheid, bewoog zich ongemakkelijk en hield zich verre van sportbeoefening.

Slechts eenmaal vermeldde grootvader Jakob Huizinga in zijn dagboek dat de kleine Johan "ook op schaatsen' stond. Uitgezonderd een eenmalig bezoek aan het "cricquetspel', een korte poging tot schermen en een nogal lachwekkend uitstapje naar het biljartlaken, waagde Johan Huizinga zich daarna niet meer aan sportieve praktijken. Hij was het type dat op de kermis niet in de draaimolen wilde zitten, maar wel opvoedkundig verantwoorde geschiedkundige boeken van Sinterklaas vroeg.

Koud tien jaar oud was Han toen zijn vader Dirk Huizinga vanwege de "lust en geschiktheid voor studie' al plannen maakte voor de universitaire loopbaan van zijn zoon. Het wekte al nauwelijks verwondering meer dat die als "verreweg de knapste' slaagde voor zijn toelatingsexamen voor het gymnasium en vervolgens bijna elk jaar moeiteloos de prijs als beste van zijn jaar won. Dat Han bij die gelegenheden als tweedeklasser zijn dankwoord in het Latijn uitsprak, als vijfdeklasser een oratie hield over de Griekse veldheer Pausanias en in zijn vrije tijd de beginselen van Hebreeuws en Arabisch leerde, tekent hem als onberispelijke modelleerling.

DOOR-EN-DOOR BURGERLIJK

Johan Huizinga was wat dit betreft enigszins uitzonderlijk in zijn door-en-door burgerlijke, maar zeker niet slaapverwekkende familie. Grootvader Jakob mocht dan een "pietepeuterig precieze Texelse predikant' met een "ijzeren gehechtheid aan moraliseren' zijn geweest, zoals Johans neef Menno ter Braak later monkelde, vader Dirk had tijdens zijn studiejaren in Amsterdam toch wilde dingen gedaan. Zijn opleiding tot doopsgezind predikant werd rigoureus aan de kant geschoven ten gunste van drank en een avontuur met een "actrice'. Dit leidde niet alleen tot een breuk met de geloofstraditie van de familie, torenhoge rekeningen en suïcidale neigingen, maar ook tot een lelijke vorm van syfilis, die hem de rest van zijn leven zou achtervolgen. Dirk zou na zijn jeugzonden toch nog eindigen als plichtsgetrouw hoogleraar fysiologie, hoewel hij soms letterlijk over de vloer kronkelde van de pijn en zijn eigen onderzoek - naar spontane levensvormen - op een fiasco uitliep.

TRAGIEK

Ook Johans oudere broer Jakob was in zijn jonge jaren een zorgeloze wildebras, die zijn leraren tot wanhoop dreef, tijdelijk van school gehaald werd, louter door toeval zijn medicijnenstudie wist af te maken en vervolgens overladen met schulden en gebukt onder een overhaast verbroken verloving het hazepad richting Zuid-Afrika koos. Dan was er nog een halfbroer Herman die zo geobsedeerd was door de in vleselijke zonde opgelopen ruggemergtering van zijn vader dat hij zich ten slotte inbeeldde zelf ook aan syfilis te lijden. Dit waanbeeld eindigde op oudejaarsavond 1902 met zelfmoord door middel van consumptie van een fles foto-ontwikkelaar.

Dan was de brave Johan uit ander hout gesneden: "Van zijn ijver en karakter was altijd wel een schoone vrucht te verwachten,' noteerde zijn grootvader Jakob vergenoegd toen de kleinzoon op de drempel stond van zijn studie Nederlandse letterkunde en geschiedenis. Desondanks zou Johans levensloop, weldra getekend door persoonlijke tragiek, niet alleen sporen tonen van het steile moralisme, de volharding en de plichtsbetrachting die geacht werd aan alle Huizinga's eigen te zijn. Voor de nauwkeurige toeschouwer zijn wel degelijk ook tekenen te zien van hevige depressies en een broeierige gepreocuupeerdheid met seksualiteit en zondebesef.

De negenendertigjarige Amsterdamse historicus Anton van der Lem is zo'n nauwkeurige toeschouwer. In zekere zin wijdt hij zijn leven aan Johan Huizinga, sinds hij als scholier door diens werk werd gegrepen. Met Léon Hanssen en Wessel Krul bezorgde hij tussen 1985 en 1991 de drie prachtige delen J. Huizinga. Briefwisseling. Daarnaast scheidde hij een reeks artikelen af over zijn held, richtte omstreeks de jaarwisseling 1991/1992 in het Academisch Historisch Museum te Leiden een tentoonstelling in over leven en werk van Huizinga, en is druk doende met een dissertatie over diens beeld op Nederlands beschaving in de zeventiende eeuw. Zojuist verscheen - welhaast als een tussendoortje - van zijn hand Johan Huizinga. Leven en werk in beelden & documenten, de eerste volwaardige biografie over de de beroemdste historicus van ons land.

De ondertitel geeft al aan dat dit door Harry Sierman prachtig vormgegeven boek is voortgesproten uit de eerder door Van der Lem ingerichte tentoonstelling. Dat is ook te merken aan de lichte toon die niet gebukt gaat onder een overdadige ballast van voetnoten, de vele schitterende illustraties, maar het is eveneens te merken aan het enigszins ongemakkelijk in het verhaal geklemde en al te ruim bemeten hoofdstuk over "Huizinga als tekenaar'. Zelf durft de schrijver blijkbaar niet te spreken van "biografie': in zijn voorrede maakt hij slechts gewag van "een overzicht van leven en werk', die "een inleiding', danwel een "samenvatting' wil zijn. Van der Lem is daarmee te bescheiden. Zijn Johan Huizinga is een standaardwerk waarin hij op bewonderenswaardige wijze veel van de kennis samenbalt die eerder is vergaard door hem en zijn mederedacteuren van de Briefwisseling (ook Kruls dissertatie uit 1990 Historicus tegen de tijd met opstellen over Huizinga dient hier genoemd).

Van der Lem voert in zijn verzorgde, enigszins archaische, soms ietwat devote maar nimmer gezwollen stijl de lezer in een behoorlijk hoog tempo door de levensloop van Huizinga. Veel daarvan was bekend, maar niet stond het zo handzaam bijeen. In dit boek kunnen de draden van Huizinga's bestaan eindelijk worden samengesponnen, ook door de selektie van niet eerder gepubliceerde teksten die na elk hoofdstuk zijn opgenomen.

UITSPATTINGEN

Zo zien we Johan van onberispelijk scholier worden tot ogenschijnlijk onbezorgd student Nederlands die met volle teugen genoot van het Gronings corpsleven. Tijdens deze jaren ontkiemde zijn literaire belangstelling voor de Tachtigers, en zijn waardering voor de schilderkunst van Toorop en van zijn latere vrienden Richard Roland Holst en Jan Veth. We zien echter tegelijkertijd een tobberige jongeling ronddolen die worstelde met zijn seksuele remmingen, en voor wie de zonde de kern van elke moraal was. De literatuur van zijn tijd verwierp Huizinga als "erotisch', maar het decadente La-Bas van Joris-Karl Huysmans bleek een openbaring. In dit boek worden de middeleeuwen in schril-pathetische ondergangstermen verbeeld, en het is dan ook verleidelijk het als een belangrijke inspiratiebron voor Herfsttij der middeleeuwen te beschouwen.

Van der Lem wijst op de vele uitweidingen over vleselijke uitspattingen in het boek van Huysmans, die Huizinga in het bijzonder zullen hebben getroffen. Voor hem ging het hierbij om meer dan een kwestie van individuele moraal: ""Zonder een persoonlijk besef bij den enkelen mensch, dat hij een radicale ondeugd, onkuischheid genaamd, heeft te weerstaan, is een maatschappij reddeloos aan sexueele ontaarding, met vernietiging als uitkomst, overgeleverd,"" zou hij jaren later in zijn In de schaduwen van morgen schrijven.

Net als Krul eerder deed in zijn dissertatie, noemt Van der Lem in dit verband ook het omvangrijke Le Latin mystique van Remy de Gourmont, een bloemlezing middeleeuwse mystieke poëzie, die Huizinga als student las, en waaruit hij nog regelmatig zou citeren. Zoals de verschillende keren in zijn werken terugkerende omineuze zinsnede dat de fraaie huid van de vrouw slechts een zak vol vuile stoffen is.

Dat gold allicht niet voor Mary Vincentia Schorer, telg uit een Zeeuwsche patriciërsfamilie, die door Huizinga in 1901 ten huwelijk werd gevraagd. Hij was ondertussen na een cum laude promotie op oud-indische toneelliteratuur leraar te Haarlem geworden, en de bruidsschat die zijn rijke vrouw meebracht, stelde hem in de gelegenheid zich meer op de wetenschap te werpen.

Een en ander mondde in 1905 uit in de benoeming tot hoogleraar algemene en vaderlandse geschiedenis te Groningen, die overigens pas na veel duw- en trekwerk door Huizinga's leermeester P.J. Blok tot stand kwam. Zelf noemde Huizinga het een "salto mortale'. Zijn inaugurele rede Over het aesthetisch bestanddeel van geschiedkundige voorstellingen wordt tegenwoordig vaak gezien als een programmatische uiteenzetting van een niet-materialistische, neo-kantiaanse geschiedopvatting. Maar ik denk dat Van der Lem gelijk heeft met zijn opvatting dat het veeleer "een verplichte oefening' betrof zonder al te veel eeuwigheidswaarde.

De huwelijksjaren in Haarlem en vooral in Groningen vormden de gelukkigste tijd van Huizinga's leven. Toen zijn Mary op 21 juli 1914 overleed aan een tumor in de hersenen was hij dan ook kapot. Hoe kapot weten we niet precies, want tegenover de buitenwereld zweeg Huizinga lange tijd, maar dat het een breuk in zijn leven betekende, is wel zeker. Zijn smart zou jarenlang als een zwaar gordijn over het gezin met de vijf jonge kinderen blijven hangen.

SUCCES

De benoeming aan de universiteit van Leiden gold als een promotie. In Leiden groeide zijn vriendschap met Richard en Henriëtte Roland Holst, trad hij toe tot de redactie van De Gids, en voltooide hij ten slotte in 1919 het manuscript van het boek waarop hij jarenlang gebroed had en dat zijn hoofdwerk zou worden: Herfsttij der middeleeuwen. Tegengesteld aan de heersende mening van zijn tijd, schilderde Huizinga in dit werk de late middeleeuwen niet als een aankondiging vol vitaliteit van de komende renaissance, maar als het afsterven van een heengaand tijdperk. Herfsttij moest vooral een stemming oproepen - de schrijver sprak zelf van "een prentenboek' - en de geur en hartslag van een cultuur verwoorden. Ondanks de enorme reputatie die het werk nu heeft, was het zeker geen gemakkelijk publieksboek. Pas in de derde druk werden illustraties en vertalingen van de Franse laatmiddeleeuwse poëzie opgenomen. Huizinga verontschuldigde zich daar nog omstandig voor, omdat hij ervan uitging dat ""het oudere Frans in het algemeen geringe eisen aan de taalkennis van de Nederlandsche lezer stelt''.

Desondanks - en niet tegenstaande de wat zuinige kritiek van vakgenoten - bracht Herfsttij Huizinga succes en bekendheid in steeds bredere kring. Dit werd echter overschaduwd door de dood van zijn zoon Dirk in 1920. Hoewel hij zijn aandoening wederom nauwelijks aan de buitenwereld liet merken (alleen uit zijn correspondentie met Henriëtte Roland Holst blijkt hoe zijn wereld opnieuw in scherven lag), geraakte Huizinga in een diepe crisis. In geschiedkundig opzicht waren de jaren twintig waren voor hem dan ook geen vruchtbare tijd. Naast de op bestelling geschreven biografie Erasmus (1924), dat niet als een volledig geslaagd werk kan worden beschouwd - Huizinga kwam later dan ook terug van zijn nogal negatieve beeld van de Rotterdamse humanist -, was er vooral een vruchteloos zoeken naar een nieuw groot onderwerp.

Toen kwam in 1925 de volgende slag: Huizinga's vriend Jan Veth, de schilder, graficus en kunstcriticus, overleed. Als eerbetoon schreef Huizinga een levenschets die onmiskenbaar ook veel verraadde van de cultuurhistorische koerswending die hij zelf doormaakte in deze tijd. Scherper dan ooit probeerde hij nu de grens tussen de geschiedkundige en de esthetische gewaarwording te trekken, hetgeen uitliep op een regelrechte afrekening met de Tachtigers, die hij ooit zo bewonderd had.

Afgezien van een tocht naar Amerika, enkele kleinere publikaties en gastcolleges in het buitenland zou Huizinga's finest hour komen in 1933, toen hij als rector magnificus te maken kreeg met de beruchte plagiaataffaire van de historicus H. Th. Colenbrander en de antisemitische Duitse schrijver Johann von Leers. In beide gevallen toonde Huizinga zich, in tegenstelling tot veel andere hoogwaardigheidsbekleders, beginselvast en principieel. In januari had zijn vriend en collega Colenbrander ter gelegenheid van het vierde eeuwfeest van de geboorte van Willem van Oranje in aanwezigheid van de koninklijke familie een feestrede gehouden over de prins als "wegbereider der christelijke vrijheid'. Al gauw bleek dat er sprake was van grof plagiaat: Colenbrander had het werk van de Belgische historicus Henri Pirenne geplunderd. Hoewel Huizinga zeer onder de indruk was van dit openbare eerverlies en erop stond dat zijn collega consequenties zou trekken (""Niet de twee alleruiterste: de hand aan jezelf slaan, of je betrekking neerleggen''), stopten de curatoren van de universiteit de zaak ten slotte in de doofpot.

Dezelfde curatoren waren ook al niet te spreken over Huizinga's optreden tegenover de leider van de Duitse studentendelegatie die een bezoek aan de Leidse universiteit bracht, de nazi Von Leers. Huizinga kreeg een antisemitisch pamflet van de man onder ogen, ontbood hem direct voor de Senaat en stuurde hem de laan uit.

Veelbewogen werd het jaar 1933 ook door het overlijden van zijn boezemvriend Cornelis van Vollenhoven, de Leidse rechtgeleerde, en de breuk met zijn oude kameraad André Jolles, die in Duitsland voor de nieuwe orde koos. Aan Jolles wijdt Van der Lem een apart hoofdstuk, waarin weer eens duidelijk wordt hoe volstrekt belachelijk Huizinga zich maakte met zijn openlijke pogingen in de jaren twintig zijn vriend als hoogleraar in Nederland benoemd te krijgen.

PESSIMISME

De crisis waarin Europa langzaam wegzakte, zette Huizinga aan tot zijn pessimistische cultuurfilosofische overpeinzingen in In de schaduwen van morgen. Velen zullen het echter betreurd hebben dat hij in 1940 na de Duitse inval, bijna sprakeloos bleef en slechts repte van plicht, moed, geduld en vertrouwen. Eenmaal had Huizinga nog kordaat zijn eigen weg gekozen zonder omzien naar de buitenwacht. In 1937 vroeg hij als vierenzestigjarige cultuurhistorische coryfee zijn achtentwintig jaar oude huishoudster, veertien dagen nadat ze hem in dienst was getreden, ten huwelijk. De verbintenis met Auguste Schölvinck bracht hem in zijn laatste jaren niet alleen een dochter, maar ook weer het levensgeluk dat hij zichzelf en zijn gezin zo lang had ontzegd.

Het is misschien jammer dat Van der Lem deze episode niet wat meer kleur geeft door te citeren uit de kattebelletjes die de smoorverliefde hoogleraar zijn huishoudster stuurde (""Lief hazehartje ....Ja, flirt maar, schavuit! Ik vind het best!... Schattekind, ongelooflijk lief wezen, ik kus je, ik kus je...''), of door te wijzen op het publieke gegrinnik over de affaire (""Bronsttij der middeleeuwen'' heette het schamper). Wat dat betreft, is de sfeer van deze biografie blijvend hooggestemd, en mist men zo nu en dan wat van de specerij die menselijkheid heet. Ook de paternaliserende opstelling van Huizinga tegenover zijn neef Menno ter Braak blijft onvermeld, terwijl dat toch een teken was dat de historicus het contact met de nieuwe generatie cultuurdragers van Nederland behoorlijk kwijt raakte. Evenzeer missen we de invloed van bijvoorbeeld Oswald Spengler op Huizinga's ondergangsdenken, hoewel die zelf opmerkte dat de Duitser ""homeopatisch'' op hem had gewerkt.

Zonder dat Van der Lem het ronduit verwoordt, wordt uit dit boek wel duidelijk waarom Huizinga nog steeds zo'n uitermate fascinerende figuur is. De historicus was geen bijzonder aangenaam mens, hij kon tegen buitenstaanders nors een stuurs zijn, en ook als opvoeder was hij geen succes. Bovendien bleef hij zijn hele leven een beetje het beste jongetje van de klas en was snobisme hem niet vreemd (""De jarenlange omgang met de cultuurgeschiedenis maakt een man aristocratisch van zin'', schreef hij zonder een spoor van ironie).

Daartegenover staat dat Huizinga iemand was die zeer bewust, vol toewijding en geconcentreerde passie vorm gaf aan zijn leven en werk. Hij beschouwde het als een levenstaak, een christelijke plicht bijna, vanuit zijn eigen hoogstaande morele normen bij te dragen aan de beschaving. Hij wenste niet door de knieën te zakken voor tijdelijke roem bij publiek of populariteit bij studenten. Wie van hem wilde leren, moest maar op de tenen lopen. Zelf deed hij dat immers ook dag in dag uit. Daarom was de moderne tijd, met de onontkoombare vervlakking der maatstaven en de gesel van het cynisme, hem een gruwel. Zelfs de dagbladen waren voor hem een inbreuk op het eigen geestesleven: ""De krant slijpt voortdurend in den allerwijdsten kring individuele inzichten af'', meende hij. Huizinga leefde volledig en compromisloos voor de geschiedschrijving, en dat kan geen enkele Nederlandse historicus hem nazeggen.

    • Bastiaan Bommeljé