Hongarije wil toetreding niet overhaasten

De Russische president Jeltsin heeft zijn bedenkingen, de ministers van defensie van de NAVO-landen hebben er nog geen haast mee, maar Hongarije ziet in toetreding tot de Westerse verdragsorganisatie een welkome aanvulling op zijn veiligheidsvoorzieningen, vooral ook omdat het land grenst aan de door crises verscheurde Balkan. Maar "geleidelijkheid' is het wachtwoord. Derde deel van een serie over de NAVO en het Oosten.

BOEDAPEST, 23 OKT. “We denken dat het uiteenvallen van de bipolaire wereld heeft geleid tot een aantal risico's en uitdagingen dat de vroegere satellietstaten van de voormalige Sovjet-Unie niet in hun eentje aan kunnen. Daarom zoeken we aansluiting bij de Westeuropese en Atlantische instellingen.”

Aan het woord is Rudolf Joó, een van de twee staatssecretarissen op het Hongaarse ministerie van defensie. Hongarije is, meer nog dan de andere landen van de Visegrád-groep (Polen, Tsjechië, Slowakije), gebaat bij versterking van de band met de NAVO omdat het grenst aan een gebied, de Balkan, waar het bloedigste Europese conflict sinds de Tweede Wereldoorlog woedt. Het land hoopt dan ook dat de Westerse partners begrip hebben voor de veiligheidszorgen die daaruit voor Hongarije voortvloeien, zoals herhaaldelijke schendingen van het luchtruim, overschrijding van de grens en bedreiging van de Hongaarse minderheid in Vojvodina.

Hongarije juicht het toe dat de NAVO zich bereid toont, niet zozeer in woorden, maar wel in de praktijk, tegemoet te komen aan die zorgen, door Awacs-toestellen gebruik te laten maken van het Hongaarse luchtruim. Nog afgezien van de situatie in het voormalige Joegoslavië is er, zo vindt men op het Hongaarse ministerie van defensie, een “zorgwekkend veiligheidsprobleem dat uitgaat van de desintegratie van het Sovjet-rijk”.

“De woordenstrijd tussen sommige staten over de precieze loop van de grenzen, de verdeling van de erfenis aan militair materieel, de mogelijke verspreiding van nucleaire know-how, dat alles is een bron van zorg, niet alleen voor naburige landen, maar voor de hele wereld”, zegt Joó.

Die zorgen worden gerechtvaardigd doordat in de meeste staten van de voormalige Sovjet-Unie de fundamenten van het democratische systeem op z'n best fragiel zijn, zoals de laatste constitutionele crisis en machtsstrijd in Moskou hebben aangetoond.

“Sinds de middeleeuwen”, zegt Joó, “hebben we in Europa nog nooit een territoriale fragmentatie op zo'n grote schaal meegemaakt als in deze eeuw. Hongarije heeft er in de afgelopen paar jaar maar liefst vijf nieuwe buren bijgekregen: Slovenië, Kroatië, Servië, de Oekraïne en Slowakije. De bestaande sfeer van nationalisme in sommige streken vermindert de mogelijkheid van politieke dialoog en compromis en zou in de toekomst het gevaar van avonturisme in de betrekkingen tussen naties en staten kunnen vergroten.”

Sinds enkele jaren is Hongarije dan ook bezig zijn veiligheidseisen aan te passen aan de nieuwe omstandigheden. Was het Hongaarse leger als onderdeel van het Warschaupact voornamelijk een offensieve krijgsmacht - “Het was eigenlijk vooral bedoeld als kanonnenvoer”, zegt Joó - en helemaal geconcentreerd in het westen van het land, het nieuwe concept is dat van een defensief leger met een betere geografische spreiding, dat kleiner is, sneller inzetbaar, beter georganiseerd en beter is uitgerust.

Tot dusver bestaat meer dan tachtig procent van de uitrusting nog uit Russisch materiaal, maar de bedoeling is om modernere Westerse militaire technologie aan te schaffen. “We zijn”, zegt Joó, “begonnen met de aankoop van het Amerikaanse IFF-systeem voor de militaire en civiele vliegtuigen, dat vijandelijke van vriendschappelijke toestellen kan onderscheiden.” Wel heeft Hongarije onlangs een flink aantal (28) MiG-29 toestellen besteld, de enige manier om iets terug te zien van de enorme schuld (1,7 miljard dollar) die Rusland bij Hongarije heeft. “Natuurlijk hadden we liever F-16's gehad of Mirages, of Saabs, maar de VS, Frankrijk en Zweden stonden toevallig niet bij ons in het krijt”, grapt Joó.

Daarnaast zijn er de programma's die gericht zijn op de “grijze massa”, zoals Joó het noemt, de opleidingscursussen die Hongaarse militairen en burgers volgen aan de verschillende NAVO-instellingen. “We zijn allemaal bezig aan een leerproces om onszelf en onze strijdkrachten aan te passen aan de NAVO-normen.” Een van die leerprogramma's houdt zich bij voorbeeld bezig met “de strijdkrachten en de ecologie”. “Van Nederlandse specialisten krijgen we steun bij het schoonmaken van het terrein waar vroeger Sovjet-bases waren”, vertelt Joó.

Begin oktober heeft de Hongaarse minister van defensie, Lájos Für, met zijn Slowaakse collega, Imrich Andrejcák, een verdrag gesloten over militaire samenwerking voor de periode van vijf jaar. Dat is op zijn minst opmerkelijk voor twee landen die, behalve over de bouw van de Gabcikovo-dam in de Donau, elkaar voortdurend in de haren vliegen over de rechten van de in Slowakije levende Hongaarse minderheid. Bij de stemming, onlangs in de Raad van Europa, over het Slowaakse lidmaatschap, onthield Hongarije zich demonstratief.

Joó: “We doen al het mogelijke om duidelijk te maken dat we goede betrekkingen willen met de buren. Niet alleen met Slowakije, ook met Roemenië willen we zo'n overeenkomst hebben. We begrijpen heel goed dat de NAVO niet zit te wachten op landen die geen stabiele onderlinge betrekkingen hebben: aan een proliferatie van het Turks-Griekse conflict heeft de NAVO natuurlijk niets. Maar militairen besteden niet zoveel aandacht aan het gepraat van allerlei politici, die zijn met concrete dingen bezig” zegt Joó. “Andrejcák (de Slowaakse minister van defensie) is een goede en objectieve kenner van de militaire situatie in Slowakije en de omringende landen. Die laat zich niet in de war brengen door de retoriek van de Slowaakse politieke klasse, die indertijd sprak over zogenaamd bedreigende manoeuvres van het Hongaarse leger. Het was in ieder geval een hele geruststelling voor ons dat hij toen zei dat hem niets bekend was van een agressieve opstelling van de Hongaarse strijdkrachten.”

Joó zegt een sterke voorstander te zijn van verdere regionale samenwerking van de Visegrád-landen op militair gebied. “Er zijn tenslotte veel objectieve overeenkomsten, het materieel dat we gebruiken, de afhankelijkheid van Rusland voor de reserve-onderdelen, we zouden veel meer moeten coördineren om die afhankelijkheid te verminderen. Ook zouden we onze politiek ten opzichte van NAVO en Westeuropese Unie (WEU) meer op elkaar moeten afstemmen.”

Wél regionale samenwerking, maar geen regionaal blok, zoals sommige Westerse critici van de Midden- en Oosteuropese NAVO-aspiraties graag zouden zien. Joó: “Er moet zeker geen tweede versie van het Warschaupact worden gecreëerd, dat zou alleen maar contraproduktief zijn. We zijn tenslotte allemaal passagiers op hetzelfde schip. Misschien zijn er wel verschillende klassen, maar we gaan allemaal dezelfde kant op.”

Onder de verschillende klassen verstaat Joó de differentiatie die aangebracht zou moeten worden in de NASR, de Noordatlantische samenwerkingsraad, waartoe behalve de Oosteuropese landen, ook alle republieken van het GOS behoren. Landen als Tadzjikistan hebben, zo licht Joó toe, nu eenmaal niet alleen een heel ander ontwikkelingspeil dan de Oosteuropese landen, maar ook volkomen onvergelijkbare veiligheidssituaties. Het gezelschap in de NASR is volgens de Hongaren, maar dat vinden de Polen ook, veel te heterogeen.

“Er zou meer rekening gehouden moeten worden met zaken als het niveau van paraatheid van strijdkrachten en van binnenlandse aanpasbaarheid”, vindt Joó. “Er moet een aantal criteria worden opgesteld waaraan men moet voldoen.” Volgens de Hongaarse staatssecretaris zou de komende NAVO-top zich ook daarmee moeten bezighouden. Eerste punt op het verlanglijstje van Boedapest is een herbevestiging van de wil tot samenwerking en ten tweede de mogelijke formulering van een soort "tussenstatus', naar het voorbeeld van de status van geassocieerd lid van de Europese Gemeenschap. "Geleidelijkheid' is daarbij het wachtwoord dat alle Hongaarse politici voortdurend dubbel onderstrepen. Want sinds de brief van Jeltsin aan NAVO-leiders dat Rusland zich geïsoleerd zou voelen als Oosteuropese landen lid van de NAVO worden, weten de Hongaren waar ze aan toe zijn. Joó: “Rusland is en blijft een grote macht en we moeten rekening houden met gevoeligheden. Maar ik wil de betekenis van die brief niet overschatten. Ik ben ervan overtuigd dat Jeltsin in de toekomst de bezwaren zal intrekken. Lidmaatschap van de NAVO is een lange-termijnproces. Ik weet niet wat de motieven achter die brief waren, maar die zouden wel eens uitsluitend een binnenlandse achtergrond kunnen hebben.”