HET NUT VAN EEN OUDE VINGERHOED

Archeologie en Bouwhistorie in Zwolle I door Hemmy Clevis en Jan de Jong, redactie 150 blz., geïll., Gemeente Zwolle, sectie Monumentenzorg 1993, ƒ 19,50 ISBN 90 801399 1 2

Geschiedenis van Kampen deel 1 door H.J.J. Lenferink, redactie 246 blz., geïll., IJsselakademie Kampen 1993, ƒ 49,95 ISBN 90 6697 065 0

De archeologie van Den Haag, deel 3: de middeleeuwen door Evert van Ginkel en Arnold Carmiggelt, redactie V.L.C. Kersing 52 blz., geïll., VOM-reeks 1993-1, ƒ 18,- ISBN 90 73166 16 0

IHE / Delft bloeit op een beerput. Archeologisch onderzoek tussen Oude Delft en Westvest door Epko J. Bult e.a. 230 blz., geïll., uitg. IHE/Delft 1992, ƒ 49,50 (te verkrijgen bij St. Bevordering Archeol. Onderzoek Delft, tel. 015-120118 ) ISBN 90 73445 02 7

"Voor bestuurders is het goed om te weten dat onze gebouwen en ondergrondse resten zóveel kunnen vertellen over onze voorouders. Het geeft eens te meer aan dat je bij projecten met zorg om moet gaan met deze rijkdom om geen onherstelbare schade toe te brengen aan de kennis over het verleden,' aldus de Zwolse wethouder van Stadsvernieuwing en Monumentenzorg in het voorwoord van Archeologie en Bouwhistorie in Zwolle.

""Mooie maar gratuite gelegenheidswoorden,'' zal een door schade en schande wijs geworden cynicus wellicht opmerken. In dit geval niet terecht. De voormalige Hanzestad is niet alleen één van de ongeveer 25 gemeenten die een eigen archeologische dienst hebben, maar beschikt ook over een gemeentebestuur dat bij de laatste bezuinigingen de archeologische dienst volledig heeft gespaard.

Al in de vroege negentiende eeuw ging in Nederlandse steden de spade de grond in. Dat was in Voorburg en Nijmegen. Die opgravingen kwamen echter niet voort uit de behoefte om de vroegste geschiedenis van de desbetreffende plaatsen bloot te leggen, maar uit de toenmalige eenzijdige interesse voor het Romeinse verleden. Pas in de jaren vijftig van deze eeuw werd een wetenschappelijk instituut (het Amsterdamse Instituut voor Prae- en Protohistorie) opgericht dat zich specifiek met de stadsarcheologie ging bezighouden.

Toch duurde het daarna nog twintig jaar voordat de eerste gemeentelijke archeologen werden aangesteld. Zij dienden ervoor te zorgen dat het vele archeologische materiaal dat bij de eerste stadsvernieuwingsgolf in de grote steden aan het licht kwam, niet verloren ging. In de tweede helft van de jaren tachtig kwam er in Nederland een nieuwe hausse aan bouwactiviteiten, deze keer vooral in verband met stadsuitbreiding. Meer dan de helft van het huidige aantal gemeentelijke archeologen is sindsdien in functie getreden.

Deze laatste lichting heeft inmiddels de eerste onderzoeken afgerond en gereedgemaakt voor publikatie. Vandaar de gestage stroom boeken over de geschiedenis van steden als Delft, Den Haag, Zwolle en Kampen die de laatste tijd uitkomt.

Geschiedenis van Kampen (onder auspiciën van de IJsselakademie) meldt dat het niet zeker is wie de stad gesticht heeft. Het kunnen Friese of Nederrijnse kooplieden zijn geweest, maar ook Hollandse en Westfriese kolonisten die in de elfde en twaalfde eeuw naar het IJsselgebied trokken om er de uitgestrekte veengebieden te ontginnen. Uit de vondsten in beerputten, die in De archeologie van Den Haag aan bod komen, blijkt dat de bewoners van het Spuikwartier in de zeventiende eeuw hun tafelmanieren gingen verfijnen. Ze aten niet langer alles uit één pot, maar van verschillende borden en schalen. Bovendien dronken ze voortaan hun koffie, thee, bier en wijn uit afzonderlijke bekers en glazen.

IHE Delft bloeit op een beerput leert ons dat de Delftse pijpindustrie na het midden van de zeventiende eeuw ten onder ging, omdat de markt overspoeld raakte door goedkope Goudse pijpen. In Archeologie en Bouwhistorie in Zwolle is te lezen dat met de Zwolse pijpindustrie hetzelfde is gebeurd. Zo geeft ieder boek interessante informatie over een plaatselijke geschiedenis. Gezamenlijk geven de boeken een beeld van het archeologische bedrijf in de Nederlandse steden.

De archeologen zijn ondergebracht bij de gemeentelijke dienst die belast is met openbare werken. Dit heeft als voordeel dat de archeologen vanaf het begin betrokken kunnen zijn bij de planning van bouwprojecten. Als bekend is dat als gevolg van een project een bodemarchief voor eeuwig en altijd verstoord dreigt te worden, krijgt de gemeentelijke archeoloog een beperkte periode de tijd om het archeologische materiaal in kaart te brengen. Zo kreeg de archeoloog van Delft de gelegenheid enkele middeleeuwse beerputten te onderzoeken toen het internationale opleidingsinstituut IHE aan de Oude Delft ging uitbreiden.

BULLDOZERS

Elke opgraving is een race tegen de klok, want tegen het einde van de opgravingsperiode staan bij wijze van spreken de bulldozers al grommend klaar om de grond bouwrijp te maken. Niets blijft er daarna over dat aan de opgraving herinnert. De stadsarcheologe van Den Haag is dan ook binnen een uur klaar als ze een gast langs archeologische sites zou moeten leiden. Ook van de onlangs gevonden zonnekalenders in Zwolle is nu niets meer te zien. Waar ooit een sjamaan naar de zonnestand keek, schroeft nu iemand zijn schotelantenne vast op het balkon van zijn nieuwbouwwoning.

De stadsarcheoloog van Delft merkt terecht op dat veel van wat later in de musea terechtkomt - en waaraan de mensen zich vergapen als ware het een goudschat, louter en alleen omdat het in een vitrine staat - niet meer dan ordinair afval is. Archeologen en dus ook stadsarcheologen halen hun kennis vaak uit kleine, op het eerste gezicht onbenullige dingen. Neem de vingerhoed. Je zou bijna vergeten dat ook die ooit is uitgevonden. Het oudste tot dusver bekende exemplaar is in China in een graf gevonden en stamt uit de Han-dynastie (206 voor tot 220 na Christus). Via allerlei omwegen (het Byzantijnse rijk, islamitische culturen, kruisridders) raakte het naai-attribuut bekend in Europa en uiteindelijk ook in Zwolle. In Archeologie en Bouwhistorie in Zwolle worden voor het eerst 39 vingerhoeden en 9 naai- of duimringen, de meeste uit de zestiende en zeventiende eeuw, beschreven. Hierdoor ontstaat niet alleen een beeld van de huisnijverheid in die periode, maar ook van de toenmalige im- en export en machinale ontwikkelingen. Bovendien kunnen vingerhoeden vanaf nu gebruikt worden om andere vondsten te dateren. Zo bewijst een klein attribuut ook nu nog zijn nut.

De (stads)archeoloog geeft geen oplossingen voor bijvoorbeeld het begrotingstekort of het hongerprobleem in de Derde wereld en is dus in tijden van recessie en bezuinigingen kwetsbaar als bestuurders nieuwe begrotingen opstellen. Zo heeft minister d'Ancona, die vorig jaar haar handtekening onder de Conventie ter Bescherming van het Cultureel Erfgoed heeft gezet, het opgravingsbudget van de Rijksdienst Oudheidkundig Bodemonderzoek gehalveerd. Ook op gemeentelijk niveau gaat er wat mis. Zo heeft de gemeente Leiden, waarvan burgemeester Goekoop bekend staat om zijn belangstelling voor archeologie, laten weten dat zij nu alles van de geschiedenis van de stad afweet en dat er dus geen behoefte meer bestaat aan een stadsarcheoloog. De archeologen van Arnhem en Maastricht dreigen om dezelfde redenen te moeten verdwijnen. De stadsarcheoloog van Den Haag is de dans net ontsprongen, mede dank zij het verzet van de plaatselijke bevolking, die gemobiliseerd kon worden, omdat zij in de loop der jaren door tentoonstellingen en publikaties van de activiteiten van de stadsarcheoloog op de hoogte is geraakt.

Archeologen zijn tot het besef gekomen dat projectontwikkelaars, gemeenteraadsleden, provinciale bestuurders en landelijke politici slechts zelden uit zichzelf met hen rekening houden. Steeds meer archeologen ontdoen zich van hun stoffige imago en bedrijven pr met alle middelen die hun ter beschikking staan. Een van die middelen is het publiceren van boeken.

Uit de onlangs verschenen publikaties blijkt dat die allerlei vormen kunnen aannemen. Geschiedenis van Kampen is dik, statig en bevat veel kerkgeschiedenis, Archeologie in Den Haag bestaat uit drie chronologisch op elkaar volgende deeltjes, IHE Delft bloeit op een beerput is tweetalig (Engels en Nederlands) en geschikt voor zowel leek als wetenschapper en Archeologie en Bouwhistorie in Zwolle biedt te midden van reclame-uitingen van genereuze sponsors een kaleidoscoop aan onderwerpen, vaak geschreven door de politieman, lerares en brandweerman die als vrijwilliger met de opgravingen hebben meegeholpen. Eén ding hebben ze met elkaar gemeen: een voorwoord van een trotse bestuurder. Het kan nooit kwaad dat zwart op wit te hebben.

    • Theo Toebosch