HENRI POLAK; Een diamant in vakbondsland

Henri Polak. Sociaal democraat 1868-1943 door S.E. Bloemgarten 756 blz., Sdu 1993, ƒ 59,90 (ƒ 49,90 voor FNV-leden) ISBN 90 12 08041 X

"Ik ben altijd thuis. Waar zou ik anders zijn? Reizen mag ik immers niet. Bij "ariërs' op bezoek evenmin.... Als je wilt komen koffiedrinken, graag. Boterhammen meebrengen. Voor het overige wordt gezorgd. Ik heb een en ander achter den rug. Twee jaren gevangenschap. Groote operatie. Uit mijn huis verdreven. Familieleden weggevoerd. Enz. enz.'

Dat zijn de laatste bondige zinnen die de overigens immer weelderig schrijvende Henri Polak in het donkerste oorlogsjaar 1943 nog op papier wist te zetten. Kort daarna stierf hij in een ziekenhuis in Laren en ontkwam aldus nog net aan deportatie.

Ze sluiten de politieke biografie af, waarvan het eerste exemplaar eerder deze week door de auteur, de historicus Salvador Bloemgarten, werd uitgereikt aan FNV-voorzitter Johan Stekelenburg. De plaats van die handeling was in velerlei opzicht symbolisch: het Nationaal Vakbondsmuseum is immers gevestigd in de voormalige "Roode Burcht' van de Algemene Nederlandse Diamantbewerkersbond (ANDB) in de Amsterdamse Plantage, waarvan Polak meer dan vijfenveertig jaar voorzitter is geweest. Een historisch monument werd gepresenteerd in de monumentale entourage, die Berlage rond de eeuwwisseling op verzoek van Polak voor de vakbeweging oprichtte en waarin thans onder meer met een semi-permanente Polak-expositie haar geschiedenis levend gehouden wordt.

BEETHOVEN-SYMFONIE

Bloemgarten heeft bijna een half mensenleven in deeltijd gewijd aan een proefschrift als een Beethoven-symfonie. Hij heeft een monument van oud-testamentische omvang en allure willen oprichten voor de sociaal-democratische politicus, vakbondsleider en journalist Henri Polak (1868-1943) en dat is hem nagenoeg gelukt. De meer dan volumineuze dissertatie, waarop hij eerder deze week aan de Universiteit van Amsterdam cum laude promoveerde bij de hooggeleerde Piet de Rooy, weegt nog zwaarder in de hand dan een kolossale ruwe Kimberley-diamant, maar bevat vooral veel fijngeslepen hoofdstukken en passages over de held der diamantbewerkers, die Polak toch in de eerste plaats was.

Hoofddraden in deze diepgravende en tamelijk breedvoerige biografie vormen Polaks meer dan vijfenveertigjarige werkzaamheid in de moderne vakbeweging, zijn bemoeienissen als SDAP-voorzitter en Eerste-Kamerlid, en zijn journalistieke werk voor het partijdagblad "Het Volk' en het fameuze blad der diamantbewerkers. Compositorisch poogt Bloemgarten deze drie hoofdlijnen onderling uiteen te rafelen en ze ook van de interessante nevenlijnen cultuur, natuur en privéleven te onderscheiden. Polaks activiteiten waren echter toch zo sterk onderling verweven, dat gaandeweg de verschillende facetten van deze diamant optisch ineenvloeien: in zijn beschrijving van de periode na de Eerste Wereldoorlog houdt de auteur het strakke onderscheid tussen de interessesferen van zijn subject dan ook niet langer vol. Het boek moet als een klassieke politieke biografie worden beschouwd: de opzet blijft primair chronologisch van aard, waarbinnen vakbeweging, politiek en journalistiek zoveel mogelijk afzonderlijk aan de orde komen.

De globale notie dat Polak toch eerst en vooral als langjarig voorman der diamantbewerkers te boek staat en minder als politicus, wordt zowel bevestigd als genuanceerd. Minutieus schetst Bloemgarten de loopbaan gedurende bijna een halve eeuw van de jonge frivole diamantbewerker tot aan zijn onverhoedse pensionering in de meidagen van 1940. Speciale aandacht krijgen daarbij de buitengewoon deprimerende situatie in de Amsterdamse diamantnijverheid van vóór de eeuwwisseling, waarin de daadkracht van enkelen in combinatie met een handig gebruik van de typische eb- en vloed-situaties in het diamantvak, de geboorte teweegbrengt van de latere modelvakbond de ANDB. De gedegen vakman doet zich kennen, als Bloemgarten eerst de economische structuur van de diamantnijverheid met haar eigenaardigheden uiteenzet en vervolgens de strijdposities van arbeiders en juweliers schildert. Vooral de concrete beschrijvingen van vroege arbeidsconflicten en interne verhoudingen binnen de vakbondsgelederen komen hierbij beeldend uit de verf.

De structuuranalyse van de bedrijfstak is weliswaar zeker informatief, maar de invloed daarvan op het sociaal-historisch verloop is niet altijd zo makkelijk zichtbaar gemaakt. Daar staat echter naast dat het contrast tussen de catastrofale afloop van de algemene en spoorwegstakingen van 1903 en het wegkwijnen van het NAS (de oude syndicalistische vakbeweging) enerzijds, en anderzijds het succes van de inmiddels sociaal-democratisch gekleurde ANDB en zijn leider Polak in persoon, helder naar voren komt. Daaraan wordt de ontstaansgeschiedenis van de moderne vakcentrale, het NVV, en de doorslaggevende rol van Polak daarbij direct gekoppeld: zonder ANDB met zijn sterke politieke en sociale positie, leiding en financiële reserves geen krachtig NVV. Of in de woorden van Polak zelf: ""Niets heeft meer succes dan succes'', waarmee het nieuwe zelfbewustzijn van de modern georganiseerde joodse diamantbewerkers na tien jaar vakbondsstrijd scherp is getekend.

Maar succes genereert ook nieuwe problemen: het hervormingsgezinde, niet-revolutionaire NVV, dat als Polaks magnum opus de vakbondsgeschiedschrijving in zou gaan, was aanvankelijk helemaal niet zo krachtig als wensdenken of terugblikken wel hebben doen geloven. En ook de overwinningen van de diamantbewerkers op de grote juweliers waren menigmaal kantje boord: de onvoorspelbaarheid van de grondstoffen- en luxegoederenmarkt, de internationale loonconcurrentie en het wispelturige gedrag van arbeiders èn juweliers waren decennialang tot kopzorg van Polak en zijn medebestuurders.

Op zijn best is de historicus als verteller, wanneer hij interne vakbondsstrijd en externe arbeidsconflicten neerzet. Hoogtepunt daarin voor de lezer, maar voor Polak cum suis ongetwijfeld een der dieptepunten in hun loopbaan, is de beschrijving van de jarenlange interne troebelen binnen de cruciale Antwerpse zusterorganisatie van de ANDB, waar fractiestrijd en kinnesinne tot regelrechte chantage met een hoog Willy Vandersteen-gehalte aanleiding geven: compleet met een Tante Sidonia als kwade fee en Polak als reddend Jerommeke!

BRUGGENBOUWER

Over het algemeen stelt Bloemgarten zich echter veeleer op als afstandelijke observator van de entourage rondom zijn subject, al verheelt hij zijn liefde en fascinatie voor Polak nimmer. Dat maakt hem echter niet blind voor het feit dat Polak als sociaal-democratisch partijpoliticus veel minder succesvol was dan als charismatisch vakbondsleider. Als autodidactisch intellectueel en proletarisch volkstribuun mocht deze dan optimaal functioneren in zulke uiteenlopende contexten als 's lands Senaat, de Amsterdamse gemeenteraad of ter vakbondszijde de bondsraad van de ANDB, als SDAP-politicus bleef Polak toch duidelijk een tweede-plansfiguur. Tot op zekere hoogte zeker bruikbaar als bruggenbouwer tussen verschillende partijvleugels in kritieke perioden, en in staat om tijdelijk zulke uiteenlopende naturen als Troelstra, Vliegen, Van der Goes, Henriëtte Roland Holst of Wijnkoop te doen samenwerken, maar geen partijman-van-de-lange-adem als de beide eerstgenoemden, of later Drees of Vorrink.

In vergelijking met beide laatsten, die toch wel ieder op zijn wijze als reformisten uit één stuk zijn te beschouwen, kan Polak weliswaar niet gelden als een ideologisch zwenkwiel zoals Troelstra er een was, maar duidelijk is toch, dat er steeds twee paradoxale zielen in zijn borst woonden. In theoretisch opzicht, overigens niet zijn sterkste kant, bleef hij een betrekkelijk orthodox marxist van negentiende-eeuwse signatuur; in partijpolitiek opzicht was hij op en top een pragmaticus waar mogelijk, en in vakbondstactische vraagstukken waar nodig de slimme opportunist, zo vaak als dat nu eenmaal gedicteerd werd in de harde vakbondsstrijd van alledag.

Een derde facet, nauw verbonden met zowel zijn vakbondspraktijk als zijn onbezoldigd partijvoorzitterschap gedurende een aantal jaren, was Polaks journalistieke werk in vakbondsperiodieken en het sociaal-democratische dagblad "Het Volk'. Het is daarbij alsof hij, waar zijn handen decennialang aan de grondmechanica der diamantaire vakbondswetten èn de starheid van de vaderlandse verzuilde partijpolitieke verhoudingen in dubbele zin zijn gebonden, zich eerst echt kon uitleven in het geschreven woord. Zeker, hij moet ook mondeling naar de eisen des tijds een weliswaar tamelijk dove, maar steeds welsprekende en gedreven orator zijn geweest: anderzijds was zijn pen ook aan de politiek als hoofdonderwerp gebonden. Toch vormde dit extra luik in zijn leven stellig ook zijn lust: de taaie interne en externe partijstrijd der SDAP moet hem als vakbondsnatuur nooit wezenlijk gefascineerd hebben.

In de bladen kon hij in gesprek met zijn vele lezers vermanen, schelden, stilistische hoogstandjes beproeven of de vaderlandse taal aaien of tuchtigen. Daarnaast doet volgens Bloemgarten zijn ""levenslange binding met de vakbeweging en speciaal de organisatie der diamantbewerkers dan ook denken aan de gebondenheid van een getrouwd man aan een wettig echtgenote, die eigenlijk niet geheel aan zijn verwachtingen beantwoordt en van wie hij zich verbeeldt op elk gewenst moment afscheid te kunnen nemen, zonder dat dat ooit gebeurt.''

De journalistieke arbeid, daarnaast zijn ijveren voor culturele verheffing der arbeiders en voor natuurbescherming en milieuzorg in een tijdperk dat zulks nog heel ongewoon was, kunnen dus worden beschouwd als de muzen, gesublimeerde feeën en vriendinnen, waarvoor hij nimmer de vakbeweging verlaten zou! Zijn vrouw trouwens ook niet.

MET VERVE

Van sociaal-democraat naar sociaal democraat, om Bloemgarten te volgen in zijn subtiele weglating van het koppelteken: in het interbellum is er natuurlijk alle reden om het democratisch tekort aan de kaak te stellen, en Polak doet dat vroeg en met verve, zoals hij ook zijn joodse wortels steeds minder veronachtzaamt. Antisemitisme, anti-democratische politieke bewegingen, ook communisten moeten het bij de reformist om strijd ontgelden. Zouden zijn verbale gevecht en jarenlange Cassandra-waarschuwingen tegen het nazisme het bekende noodlottige einde vinden op 10 mei 1940, zijn strijd om behoud van (burgerlijke) cultuur en milieu waren meer succesvol. Ook hier was hij ver vooruitziend, zij het soms conservatief naar de vorm.

Van zijn strijd voor de eerste muzikantenvakbond in 1894 via het redden der Hollandse molens tot het tegenhouden van "de electrocutie van het Gooi' door de spoorwegen in 1922, hij bleef een retorisch begenadigd activist, waar menig bestrijder van de huidige "electrocutie van de Betuwe' ook heden ten dage nog kracht en inspiratie uit zou kunnen putten!

Ook al deze zijpaden in natuur en cultuur worden door Bloemgarten uitgebreid vermeld en nauwgezet aan velerlei bronnen ontleend. De kracht van zjn magnum opus ligt dan ook in veelzijdigheid en volledigheid, enkele kleine onvolkomenheden naar de vorm daargelaten. Dat het laatste kwart van Polaks leven hem minder centrale focussen biedt dan de periode vóór 1920 is niet zijn euvel, maar ligt in het biografische verloop en de tragiek van zijn subject besloten.

Handicap is ook, dat veel privé-collecties - hoe kan het anders - de Duitse bezetting niet overleefd hebben. Dat moet er de oorzaak van zijn dat, hoezeer ons ook zulke uiteenlopende themata als Polaks autogebruik, gehoorapparaaat, pedanterie, ijdelheid en de half-onschuldige doch overmatige aandacht voor vrouwelijk vakbondsschoon uitvoerig worden voorgeschoteld, Polaks psyche wel erg in het platte vlak en terloops tussen de regels door aan de orde komt. In de era van de psychologische geschiedschrijving mag men allicht ook de wens formuleren naar een meer-dimensionale en persoonlijke ontleding van deze generatiegenoot van Sigmund Freud. De auteur lijkt dat niet aangedurfd te hebben en blijft binnen de gangbare vereisten van de wetenschappelijke biografie.

Maar wellicht biedt dat uitzicht op een frivoler spiegelbeeld van dit nu zeer serieuze Wagneriaanse Gesamtkunstwerk: opdat Bloemgarten ons te zijner tijd nog eens verdere wetenswaardigheden over het vooroorlogse joodse Amsterdam en haar voormannen uit de doeken doet. Zelfs als die van minder wetenschappelijke en meer voyeuristische aard zouden zijn, houden wij ons dringend aanbevolen!

    • Florian Diepenbrock