Geen partijverbod voor ultra-rechts

Mag een democratie zich verweren tegen partijen die erop uit zijn haar grondslagen aan te tasten? Deze oude vraag is weer actueel geworden met het besluit van de SGP op principiële gronden vrouwen te weren als lid. Afgezien van dit besluit, staat deze partij allang op gespannen voet met onze democratische rechtsorde vanwege haar theocratische gezagsopvattingen.

De Duitse Bondsrepubliek kent een rigide juridisch defensiesysteem, bestaande uit een grondwettelijk verankerd verbod van verenigingen en partijen die de liberaal-democratische basisorde van de grondwet bedreigen, en voorts het zogenaamde beroepsverbod, het weren van extremistische elementen uit de openbare dienst.

Dit systeem is fel bestreden omdat het inbreuk maakt op democratische grondrechten. Ook vanuit Nederland werd dit systeem daarom gekritiseerd. Wij kennen echter ook een verbodsregime. Een rechtspersoon, waarvan de werkzaamheid in strijd is met de openbare orde, wordt door de rechtbank op vordering van het openbaar ministerie verboden verklaard en ontbonden. Op grond hiervan kunnen uiteraard ook partijen verboden worden verklaard.

Tot de openbare orde behoort ongetwijfeld het discriminatieverbod, dat de SGP met voeten treedt. Maar hiervan maken ook deel uit de vrijheid van godsdienst en politieke overtuiging en de vrijheid van vereniging. We hebben hier te maken met het bekende vraagstuk van botsende grondrechten en omdat er geen hiërarchie van grondrechten is, noopt dit tot een verantwoorde beleidskeuze.

Ger Groot verzet zich in een uitvoerig betoog in NRC Handelsblad van maandag 18 oktober tegen de roep om een verbod van de partij. Ik ben het daarmee eens en wel om verschillende redenen. Een partijverbod is een grof werkend juridisch instrument dat niet verder komt dan symptoombestrijding en getuigt van weinig vertrouwen in de vitaliteit en overtuigingskracht van onze democratische beginselen.

Zo'n verbod bestrijdt bovendien de ene uiting van discriminatie - in dit geval op grond van sekse - met een andere, namelijk een discriminatie op politieke gronden. Het is ook in strijd met ons evenredig kiesstelsel dat in tegenstelling tot meerderheidsstelsels een zo zuiver mogelijke weerspiegeling van alle in het electoraat levende opvattingen beoogt en dus ook ruimte biedt voor links- of rechts-extreme opvattingen. Extreem-rechtse partijen, zoals SGP en CD, moeten in een vrije politieke confrontatie bestreden worden als logische consequentie van het open karakter van onze democratie. Wat daarin als waarheid en waarde geldt, is het resultaat van een vrije discussie en blijft vatbaar voor verdere discussie.

Ik ga echter niet zover als Groot die stelt dat iedere willekeurige meerderheid uiteindelijk beslist over al of niet handhaving van de principes van onze liberaal-democratische rechtsorde.

Groot gaat daarbij uit van een strikt formele, procedurele opvatting van democratie en rechtsstaat. Ik ga uit van een materiële, op principes gebaseerde opvatting van democratie en rechtsstaat, zoals de Duitse Bondsrepubliek, die die principes verankerd heeft in haar grondwet. Die principes zijn daarin zelfs onttrokken aan een grondwetsherziening en tot onaantastbare kern van de grondwet verklaard en de bewaking ervan is toevertrouwd aan het Constitutionele Hof te Karlsruhe.

In het licht van de Duitse historie is dit zeer wel te begrijpen. Het is een reactie op de Weimar Republiek die ook een formele opvatting van democratie en rechtsstaat huldigde en daardoor geen enkel principieel verweer had tegen de legale overgang in 1933 naar het Derde Rijk van Hitler.

In een land als het onze met een lange burgerlijk-liberale traditie is zo'n rigide verdediging van onze democratische rechtsstaat niet nodig. Links- en rechts-extreme partijen zijn hier steeds een marginaal fenomeen geweest. Met een strikt formele opvatting van onze democratie maken we ons echter wel heel erg kwetsbaar.

Maar, zo stelt Groot, er is geen enkele objectieve reden waarom onze beginselen van de democratische rechtsstaat superieur te achten zijn boven andere. Toch gaan we hier in feite vanuit. Sinds jaren streven we naar universele verbreiding van liberaal-democratische principes door een actief mensenrechtenbeleid en door ontwikkelingssamenwerking daaraan mede dienstbaar te maken. Sinds het einde van de Koude Oorlog stellen we die principes ook ten voorbeeld aan de landen van het voormalige Sovjet-blok. Die universele verbreiding valt alleen te verdedigen als die principes van een hogere morele kwaliteit zijn dan andere.

Een aantal filosofen en rechtsgeleerden - onder anderen onze minister van justitie - baseert de universele gelding van die westerse principes van vrijheid en gelijkheid op een moderne versie van het natuurrecht en daarmee op een objectieve grondslag. Men kan die gelding echter ook funderen op de internationale erkenning van die principes als algemene rechtsbeginselen en op de historische ervaring, die leert dat deze beginselen de beste garantie blijken te zijn voor een menswaardige samenleving.

In het westerse beschavingsproces en de beginselstrijd die daarin gevoerd is, hebben die beginselen telkens opnieuw alle kritiek en bestrijding doorstaan en overleefd. “Die Weltgeschichte ist das Weltgericht”, zo kan men in dit verband Schiller en Hegel nazeggen.

Het betoog van Groot is, geheel in de geest van het huidige postmoderne denken, gebaseerd op een zo vergaand waardenrelativisme dat de verdediging van de beginselen van onze democratische rechtsstaat evenals in de jaren dertig weer heel wankel wordt. Een principieel verweer tegen anti-democratische stromingen wordt daardoor in de kern aangetast.

    • S.W. Couwenberg