Een uitwas

Er was, zegt Theo, hier een poes. Ze ging naast de kachel liggen, doofde langzaam uit. Die poes was 19. Hij heeft haar van de eerste tot de laatste snik gekend.

En het was, zegt hij, net alsof ze ergens klaar mee was, alsof het geen verdwijnen maar een terugkeer was, alsof het leven maar een uitwas is, een rare variant op wat normaal of zelfs natuurlijk is.

Hoe komt het nu dat zijn gedachte indruk maakt? Zo erg bijzonder is zij niet. Je hoort haar vaker en je neemt haar lang niet altijd serieus.

Misschien de handen met een builtje shag. Misschien het hoofd dat neigt tot wiebelen, een zweem van ouderdom. De stem die woorden wel gebruikt, maar niet vertrouwt.

Misschien de boerderij die ons omringt en overdekt, de oude balken aan de zoldering, illusie van een ongeschonden landschap in het raam. Het licht, de ochtend, koffie met gevulde koek.

Misschien de kachel zelf - die stond erbij en staat er nog.

“Sinds die tijd”, zegt hij, “begrijp ik het ietsje beter.”

“En helpt het ook?” vraag ik.

Nee, helpen niet, natuurlijk niet.

Voor Theo geldt: nog veel te doen, ontzettend veel wat nog moet afgemaakt. Hij is al 65.

Wat mij betreft: ik denk weleens, ik heb het meeste wel gedaan, en ik ben pas 47.