De Schitterende Onvoltooide

Het was misschien niet verwonderlijk dat Jan Timman de vijftiende matchpartij tegen Anatoli Karpov verloor. Hij keek tegen een ellendige achterstand aan, moest winnen en dan is de kans op nog een nederlaag altijd groot. Wel verbazend was het commentaar dat zijn secondant Seirawan aan teletekst gaf: Hoe kon Jan het slechte 10. Ph3 spelen, terwijl ze tijdens de voorbereidingen urenlang naar de consequenties van 10. Ld3 hadden gekeken? Het is wel een primeur dat een secondant tijdens een match om het wereldkampioenschap aan de pers vertelt welke openingen er zijn voorbereid. Het kon niet anders betekenen dan dat Seirawan de match in gedachten al had opgegegeven. Begrijpelijk, maar toch een ernstig gebrek aan discipline. Timman zelf heeft de sportieve plicht om te denken: zolang Karpov geen 12,5 punt heeft, leef ik nog en moet ik vechten. Zijn secondanten moeten hem daarin steunen, al is het tegen beter weten in. De krijg is niet verloren voordat de capitulatie getekend is, en een soldaat die meent tegen teletekst het tegendeel te moeten beweren, riskeert standrechtelijke executie.

Een buitenstaander heeft meer vrijheid om toe te geven dat het waar was wat Seirawan wel mocht denken, maar niet laten merken: na die vijftiende partij was het hopeloos. Toen de eerste match Karpov-Kasparov in 1985 voortijdig werd gestaakt bij de stand 5-3 voor Karpov, bij 40 remises, dacht iedereen dat de uitgeputte Karpov hiermee van de ondergang gered werd. Alleen Short zei een waar woord: ""Ik zou nog niet met 5-3 willen achterstaan tegen Karpov op zijn doodsbed.'' Vier punten achter is ook tegen een kwetsbare Karpov teveel.

Opvallend hoe vaak Timman misgreep als hij schitterend stond en Karpov bovendien in grote tijdnood was. Falen als het succes binnen handbereik ligt, dat kan gebeuren als je iets heel graag wilt, zonder de innerlijke overtuiging te hebben dat het je als vanzelfsprekend toekomt. In dit geval het wereldkampioenschap schaken. Karpov zal geen last hebben gehad van de gedachte dat zijn eventuele wereldkampioenschap minder waard zou zijn door het bestaan van Koning Kasparov. In het licht der eeuwigheid ziet hij zich als een veel groter speler dan Kasparov.

Een zesde match Kasparov-Karpov zit er niet in. Kasparov wil niet, wat om verschillende redenen begrijpelijk is. Een match tegen de kampioen van de FIDE zou zijn eigen PCA veel geloofwaardigheid ontnemen.

Jammer. Met weemoed kijk ik nog wel eens naar de 18 bladzijden analyse die Kasparov in 1986 wijdde aan de fantastische 16de partij van zijn derde match tegen Karpov. Een zee waarin je vele malen kunt onderduiken en steeds nieuwe parels vinden die Kasparov er heeft neergelegd. Zulke partijen waren er niet tussen Kasparov en Short, en konden er ook niet zijn. De partij die er nog het dichtst bij kwam was de achtste matchpartij, die Short had moeten winnen. Volgens de analyse van Kasparov, die ik indertijd geciteerd heb, was de partij heel lang in evenwicht en had hij pas op de 37ste zet een fout gemaakt die Short een min of meer toevallige winstkans gaf, die hij in tijdnood miste. Die opvatting van Kasparov verbaasde iedereen, mij ook, maar je moet sterk in je schoenen staan om hem tegen te kunnen spreken.

In het laatste nummer van Inside Chess staat een mooie analyse van een meester uit Californië, David Gliksman, die aan lijkt te tonen dat Short die partij wel degelijk had moeten winnen, niet door een toevallige fout van Kasparov, maar als logisch gevolg van de door Short ingezette koningsaanval.

Zie diagram 1.

Short-Kasparov, achtste partij, de stelling na de 23ste zet van zwart. Short heeft prachtig gespeeld. Hij staat al een toren achter en offerde er nu nog een met 24. Tf1xf7+ Fraai was dat zeker en het was mensonmogelijk om op dit moment te zien dat het niet tot een gewonnen stelling zou leiden. Even onmogelijk was het om te berekenen dat de zet die wordt aangegeven door Gliksman, 24. Df6!!, wel tot winst zou leiden. Short zei achteraf dat hij had gekeken naar 24. Df6 Th7 25. Tf5, maar dat beviel hem niet wegens 25...Dxg2 en zwart zou eeuwig schaak kunnen hebben. Hij had er ook niet veel aandacht aan besteed, omdat hij dacht dat 24. Txf7+ zou winnen. De analyse van Gliksman gaat echter anders: 24. Df6 Th7 (24...Kg8 is makkelijker te weerleggen: 25. Pf5 dreigt dan mat en damewinst en na 25...Pd3+ 26. Kb1 De5 wint wit met 27. Pe7+) en nu niet 25. Tf5, waar Short naar had gekeken, maar 25. Lh6+. Zwart heeft dan twee mogelijkheden:

A) 25...Txh6 26. Dxh6+ Ke7 (na 26...Kg8 27. Pf5 Pd3+ 28. Kb1 De5 29. cxd3 heeft wit bij vrijwel gelijk materiaal een snel beslissende aanval) 27. Pf5+ Ke8 - anders verliest hij de dame - 28. Df6 en Gliksman laat zien dat zwart niet in staat is de vele dreigingen van wit te pareren.

B) 25...Kg8 Dit is hardnekkiger. Na 26. Pf5 heeft zwart een aantal verdedigingen, waarvan de meeste makkelijk weerlegd worden. Gliksman geeft:

B1) 26...Pd3+ 27. Kb1 en wit wint door de dreigingen Pe7+ of Dg5+

B2) 26...Pc6 27. Dg5+ Kh8 28. Lg7+ Kg8 29. Le5+ Kf8 30. Ld6+ Ke8 31. Te1+ Kd7 32. Te7+ en zwart gaat mat.

B3) 26...Pg6 27. Td1 Dc5 28. Td8+ Pf8 29. Dg5+ en wint.

B4) 26...Te8. Dit is de verdediging die het moeilijkst van alle te kraken is. Gliksman geeft 27. Td1 De6 (of 27...Dc6 28. Td8 Pg6 29. Pd6 Tf8 30. Dxg6+ en wit geeft mat) 28. Td8, waarna een mooie stelling ontstaan is.

Zie diagram 2.

Zwart staat nog steeds een toren voor, maar hij heeft geen verdediging tegen de dreiging 29. Pe7+. Gliksman geeft de volgende varianten:

A) 28...Pd3+ 29. cxd3 De1+ geeft zwart geen eeuwig schaak. Na 30. Kc2 De2+ 31. Ld2 is zwart uitgepraat.

B) 28...Pg6 29. Pe7+ Dxe7 30. Dxe7 en wit wint.

C) 28...Pc6 29. Dg5+ Kh8 30. Lg7+ Kg8 31. Ld4+ Kf8 32. Lc5+ Pe7 33. Dg8+ en wit geeft mat op de volgende zet.

In een partij, na voorafgaande verwikkelingen die al veel bedenktijd hadden gekost, is het natuurlijk volstrekt onmogelijk om dit schitterende variantencomplex door te rekenen. Klopt het eigenlijk wel? De stelling na 24. Df6 is er een die je graag aan een computer voor zou leggen, en dat heb ik dan ook gedaan. Die betrapte Gliksman niet op een fout, evenmin als ik zelf. Laten we aannemen dat hij gelijk heeft. Het betekent dat Short, als hij dit alles gevonden had, een waarlijk onsterfelijke partij zou hebben gespeeld. Nu kwam hij er met 24. Txf7+ heel dicht bij. Gebrekkige intuïtie, zou je kunnen zeggen, maar dat zou niet rechtvaardig zijn. 24. Df6 of 24. Txf7+, werkelijk niemand zou in Shorts plaats hebben kunnen zien wat het beste was. Of het een Onsterfelijke Partij of slechts een Schitterende Onvoltooide zou worden, werd bepaald door het toeval.

    • Hans Ree