De laatste resten

De verheffing van het gewone tot het bijzondere: dat is een gewaardeerde eigenschap van de kunstenaar. Door zijn talent, een unieke splitsing in zijn bewustzijn, lukt het hem zijn onderwerp van de omgeving los te maken om het te verheffen tot een voorstelling van niet geëvenaarde schoonheid, weerzinwekkendheid, absurditeit, trivialiteit, alles wat eid of eit is. Zo zou een handleiding tot het schrijven van juryrapporten kunnen beginnen. Nu er zoveel prijzen zijn, is er ook een stijgende behoefte aan juryleden en als je die rapporten hoort of leest, denk je dat het wel eens wat beter zou kunnen. Een schooltje voor juryleden is een gat in de markt. Maar ik wil op een ander doel afstevenen.

Verheffing van het gewone tot het bijzondere. In Ter Braaks roman Hampton Court ontdekt de held al op een van de eerste pagina's zijn lucifersdoosje. Dit vind ik een goed voorbeeld van kunstzinnige onthechting, in dit geval van een onthechting tot absurditeit. In Hampton Court gebeurt het terloops en zonder veel poespas; niettemin blijft het in zijn betrekkelijke stilte een grote gebeurtenis. Geen wonder dat in andere gevallen met zo'n ontdekking het einddoel al is bereikt, het objet trouvé, de ready made. De bevordering van het gewone tot het bijzondere heeft op deze manier een grote industrie doen ontstaan. Overal komen we de filialen van Schwitters & Duchamp tegen.

Maar nu het omgekeerde: de bevordering van het bijzondere tot het gewone. Dat maken we ook ieder ogenblik mee. Balpunt, kleurentelevisie, zakjapanner, hanekam, draagtelefoon, videocamara, vuilnisbakkeneter, tweecomponentenlijm; met wat de Bevrijding ons in de eerste bijna vijf decennia heeft gebracht valt een lijstje te vullen. De bevordering van het bijzondere tot het gewone is op zichzelf zo gewoon geworden dat we verbaasd zouden zijn als daar eens plotseling een eind aan kwam. Als ik een filosoof of journalist was die zich in einde's specialiseerde, zou ik een boek schrijven met als titel "Het einde van de verbazing'. Misschien is dat trouwens allang gedaan.

Is er niets meer waarover we ons nog kunnen verbazen? Wat is er over van die regenboog van verwondering, van het paf staan en het "mag dat zomaar?' tot de stille blijdschap bij de aanblik van een nevelige najaarszonsopgang?

"Het einde van de verbazing.' Of: "De laatste resten van de Nederlandse verbazing.' Dat klinkt me iets beter in de oren, ook al omdat het meer in overeenstemming is met m'n recentste ervaringen.

Haagse kinderen die ervan afzien hun tram te slopen mogen gratis mee, las ik een poosje geleden. Een verbaasd gemeenteraadslid had er vragen over gesteld. Dat kan ik op het eerste gezicht nog wel begrijpen, maar toch heeft dat raadslid niet goed nagedacht. Het kost veel meer geld, zo'n tram te herbouwen dan dat er inkomsten worden gederfd op kinderkaartjes van kinderen die toch al zwart rijden. De meeste slopers zijn zwartrijders, hoewel de meeste zwartrijders geen slopers. Ik vind het een realistisch beleid, dit niet-slopen te belonen met een vergunning tot zwartrijden. De manier waarop we in het groot de vooraanstaande Bosnisch-Servische staatsman Karadzic tegemoettreden, verschilt in beginsel niet van de nieuwe benadering der Haagse tramslopertjes, en het zou me niet verbazen als dit experiment in de Residentie ook geslaagd was. Jammer genoeg heb ik er niets meer van gehoord.

In ieder geval is het Haagse voorbeeld gevolgd. "Nuchtere automobilist krijgt belasting terug,' las ik maandag in de krant. Terecht, had ik al gedacht, nog vóór ik het naadje van de kous te weten was gekomen. Het zit wat ingewikkelder in elkaar dan de zaak van de Haagse sloopkinderen, en daarom moet ik iets citeren:

""Automobilisten die nuchter achter het stuur zitten, maken kans op een bedrag van dertig gulden. Met deze actie willen Veilig Verkeer Nederland en de frisdrankenindustrie dat de minister van financiën sneller overgaat tot de afschaffing van de verbruiksbelasting op alcoholvrije dranken.''

Voor de minister, dacht ik, is hierna de keus niet moeilijk. Gaat hij niet tijdig (voor de feestdagen en het carnaval) over tot afschaffing van deze verbruiksbelasting, dan kan hij mede-aansprakelijk worden gesteld voor een onbekend percentage van de statistisch te verwachten ongelukken die het gevolg zijn van het "rijden onder invloed'. Het niet bijkomstige gevolg van zijn laksheid is dat 1500 nuchtere automobilisten hun dertig gulden van de frisdrankindustrie derven. Vijftienhonderd nuchtere automobilisten extra met de feestdagen! Stel je dat eens voor. Als ik minister van financiën was zou het misschien wel een reden voor me zijn om in december en februari alle verbruiksbelastingen af te schaffen.

De laatste resten van de Nederlandse verbazing. Je hart is goed om nu nog veel meer te verzinnen waarvoor de mensen moeten worden beloond als ze iets nalaten dat ze zouden moeten nalaten omdat "het niet mag'.

Hoe bedoel je: "Niet mag? Zal ik je eens een knal voor je kanus geven?'

"Nee meneer, liever niet. Ik betaal u dertig gulden zwart als u mij alstublieft geen knal voor mijn kanus geeft.'

In landen met een hogere graad van criminele ontwikkeling heb je de georganiseerde protection racket. Tegen betaling aan het geboefte beschermt het geboefte je tegen de aanvallen die ditzelfde geboefte op je zou uitvoeren als je niet betaalde. In de ontluikende Nederlandse variant wordt het initiatief niet aan het geboefte overgelaten; het wordt als het ware door de overheid zelf als afpersbende aangesteld.

Daarover zou door iemand met nog voldoende verbazing een mooie roman geschreven kunnen worden.