ARCHIEFZORGEN (3)

In de ingezonden brief van G. Kleis wordt bezorgdheid uitgesproken over ondeskundige vernietiging van stukken uit gemeentearchieven uit de periode 1881-1850 en 1850 tot (mijn toevoeging) 1920. In Drentse gemeentearchieven zouden vele meters overheidscirculaires worden bewaard, waarvan één exemplaar in het Rijksarchief in de provincie voldoende zou zijn, omdat zij alle in gedrukte vorm hetzelfde zijn.

Ik kan de heer Kleis geruststellen, zo stom zijn zelfs academisch gevormde archivarissen niet. Uit de gemeentearchieven 1850-1920 worden de stukken die niet expliciet op de gemeente zelf betrekking hebben systematisch verwijderd, en dus op de eerste plaats gedrukte circulaires, waarmee de gemeente niets heeft gedaan. Dat vond en vindt onder mijn directe leiding plaats sinds 1975. Er worden van de wel bewaarde stukken onderwerpslijsten aangelegd en de heer Kleis, evenals ieder ander, kan bij mij een exemplaar krijgen (provinciehuis Drenthe te Assen).

Behalve de circulaires wordt ook informatie over individuen inderdaad grotendeels vernietigd, echter niet omdat individuen niet belangrijk zijn, maar omdat de informatie niet belangrijk is. Het betreft voornamelijk geharrewar tussen gemeenten onderling over de verrekening van uitbetaalde ondersteuning aan individuen, van wie meestal uitsluitend de naam wordt vermeld. Ook adreswijzigingen van dienstplichtigen worden systematisch vernietigd. De individuen zelf zijn terug te vinden in andere registraties, zoals bevolkingsregisters, dienstplichtregisters en belastingkohieren. Ook vóór 1850 worden wel stukken uitgeselecteerd (met inachtneming van wettelijke regels), maar wegens het ontbreken van de genoemde registers springen wij iets voorzichtiger met de gegevens van vóór 1850 om. Van de serie van elders ingekomen brieven wordt op deze manier vóór 1850 circa 40% bewaard en na 1850 circa 15%. De door de gemeente zelf gegeven antwoorden worden integraal bewaard, evenals notulen, persoonsregistraties, kadaster, begrotingen, jaarrekeningen met alle bijlagen tot 1850, en met ¢4 30% van de bijlagen tussen 1850 en 1920. In andere provincies is in deze bijlagen overigens wel scherper geselecteerd (tot 10%). Historici zijn schichtig geworden door de theorieën over selectie en vernietiging door de rijksoverheid, in verband met de stortvloed van onbewerkte (lees: ongeselecteerde) archieven die met name bij de rijksdienst optreedt (De Graaff, Klep). Voor deze bezorgdheid heb ik wel begrip, al deel ik deze slechts in zeer beperkte mate. Maar regelrechte onzin zoals die van de heer Kleis vormt een slechte bijdrage in de discussie.

    • Drs. A.J.M. den Teuling
    • Provinciaal Archiefinspecteur in Drenthe