Amerika is het spoor bijster

WASHINGTON - Een president vol dadendrang strompelt steunend en kreunend door het mijnenveld van de moderne buitenlandse politiek. Dat is het beeld dat Washington biedt twaalf maanden na de overtuigende verkiezingszege van Bill Clinton. Het presidentiële team is radeloos als het gaat om conflicten in Somalië, Haïti en Bosnië. Koerscorrecties en tegenspraak volgen elkaar welhaast dagelijks op. De authentieke Democratische geloofsbelijdenissen aan het adres van de Verenigde Naties van afgelopen zomer maken plaats voor bittere kritiek op de volkerenorganisatie, naïviteit over de wereld wordt ingeruild voor frustratie. In Somalië blijkt humanitaire hulp een politiek moeras, in Haïti provoceren corrupte generaals de geloofwaardigheid van Clinton en in Bosnië weet Amerika niet wat het wil.

President Clinton gaat inmiddels zover dat hij zijn fouten en misrekeningen publiek maakt. In een interview met de Washington Post verwijt hij zichzelf in algemene zin het land te weinig te hebben betrokken in “een groot nationaal debat” over de Amerikaanse rol in de wereld en verzucht hij: “Goh, ik mis de Koude Oorlog”. Zijn minister van buitenlandse zaken Warren Christopher lijkt dermate verbitterd dat hij zelfs het diplomatieke abc vergeet en publiekelijk om zich heen slaat. Voornaamste doelwit zijn de Europeanen, die bij voorkeur Amerika van alles in de wereld de schuld geven. Te lang heeft Washington aandacht geschonken aan Europa, aldus Christopher en de Westeuropeanen moeten eindelijk maar eens weten dat “West-Europa niet langer het dominante gebied is in de wereld.”.

Op internationaal economisch gebied staat Clinton voorlopig met de rug tegen de muur. De regering heeft de handen vol om het Mexicaans-Canadees-Amerikaanse handelsverdrag (NAFTA) door een allengs sceptischer Congres te loodsen. De publieke opinie vreest verlies van banen zodra Mexico toegang krijgt tot de Noord-Amerikaanse markt. Des te irritanter zijn de obstakels die de Europeanen - voorop Frankrijk - opwerpen tegen afronding van een nieuw wereldhandelsakkoord. Clinton kan simpelweg niet met nog een pakket lastige handelsproblemen naar het Congres en wil niet het risico lopen daar straks alles (NAFTA en GATT) te verspelen. De klok tikt voor de dead-line van 16 december en de ergernis jegens de weinig betrouwbare Europeanen is meer dan begrijpelijk.

In januari vervolgens spreken de westerse leiders in Brussel over de toekomst van de Navo. Dit vertrouwde ankerpunt van transatlantische relaties leidt aan ernstige erosie. Ook in Washington heeft niemand tot nu toe enig idee over een toekomstige functie van de Navo en sterker nog - de belangstelling is minimaal. Er is geen enkel Amerikaans plan in de maak en als er de komende maanden geen wonder gebeurt, reist president Clinton naar Brussel op de automatische piloot van goede bedoelingen en hoogdravende frasen inzake “revitalisatie van de alliantie”. De Navo loopt onderwijl het gevaar wegens interne onenigheid en aantoonbare irrelevantie weg te kwijnen zonder dat er een alternatief in zicht is. Of zoals een hoge Amerikaanse functionaris over de Navo zegt: If you don't use it, you loose it.

Hoe kon het zover komen?

Voor een heel klein deel ligt het aan Clinton en zijn team zelf. Hij heeft de verkiezingen gevoerd met een binnenlandse agenda van sociale en economische hervormingen en daar ligt zijn prioriteit en zijn mandaat. Clintons zelfvertrouwen op internationaal terrein is beperkt en dat heeft hij niet weten te compenseren met een gezaghebbend en pragmatisch beleidsteam. Veiligheidsadviseur Anthony Lake is onzichtbaar en Warren Christopher heeft sinds zijn belangeloze jaren in de regering-Carter niet aan statuur gewonnen. De advocaat van de Westkust heeft het charisma van een ingevroren stekelbaars en voelt zich kennelijk zo onzeker dat hij op zijn leeftijd lessen neemt in tekstpresentatie via de teleprompter.

Maar natuurlijk is dit allemaal bijzaak en hooguit symbolisch te noemen. Geen enkel westers land heeft zijn rol na de Koude oorlog weten te vinden en te verwijten valt dat niemand. Lastig is alleen dat Amerikaanse radeloosheid zwaar weegt voor de rest van de wereld. De oorzaken van deze Amerikaanse radeloosheid gaan verder dan Clinton en Democratisch klungelwerk. Het is zelfs buitengewoon unfair om deze regering veel te verwijten, want niemand binnen de politieke elite van het land heeft ook maar een begin van een bruikbaar concept voor buitenlands beleid na de Koude Oorlog.

Probleem daarbij is dat met het einde van de Koude Oorlog de deken van Amerika is weggetrokken. Te zien valt nu een land als andere westerse landen: economische onzekerheid is er het laatste halve decennium toegenomen. Inkomens stagneren, hetgeen slechts wordt gecompenseerd doordat per gezin door man en vrouw full time wordt gewerkt. Het gevoel dat er moet worden gehold om stil te staan, neemt hiermee toe. Bovendien is werk onzeker geworden, want werkloosheid is allang geen exlusieve bedreiging meer voor arbeiders in de oude industriesteden. Zelfs in de eertijds zo bloeiende Sun Belt (Florida, Texas, Californië) wonen mensen met hypotheken in huizen die steeds minder in plaats van meer waard zijn. Vandaar ook het groeiende ongemak over vrijhandelsakkoorden en immigratie, vandaar ook een populistisch economisch nationalisme. Daar komt nog een psychologisch gevoel van onveiligheid en angst voor misdaad bij, die te maken hebben met het verlies van een civil society en van traditionele gezagsverhoudingen.

In wezen ligt onder de verdwenen deken van de Koude Oorlog een land dat door een fase van diepe onzekerheid en desillusie gaat. Allicht was de American Dream in het verleden altijd ook een illusie, maar het was een constructieve illusie. Zonder prikkelende mythe bestaat Amerika eigenlijk niet.

Het presidentschap van Clinton probeert aan zulke gevoelens van onzekerheid het hoofd te bieden, niet zoals president Reagan door de mythe nieuw leven in te blazen maar door concrete programma's. Wetsvoorstellen voor gezondheidszorg, voor banenpools en acties tegen de staatsschuld hebben allemaal als rode draad dat zij zekerheid willen bieden. Maar moeilijkheid daarbij is en blijft dat de overheid als verschaffer van maatschappelijke zekerheid weinig geloofwaardigheid meer heeft. Van enige euforie over zulke wetsvoorstellen is dan ook weinig te merken.

Tegen deze achtergrond is het niet alleen begrijpelijk dat Amerika zijn rol in de wereld niet weet, maar dat het ook grote moeite heeft te definiëren wat zijn nationale belang is. Een VN-achtige gedrevenheid om de wereld een aangenamer oord te maken bevleugelt het land niet. Maar de logische consequentie van een klassiek isolationisme is evenmin goed denkbaar. Voor zo'n voorloorlogse attitude is de wereld te klein geworden: economie, communicatie, trends en zelfs emoties hebben een grensoverschrijdend karakter gekregen. Handelsquotering en manipulatieve devaluatie zijn alleen al technisch moeilijk geworden in een wereld waar per dag via de internationale geldmarkten miljarden dollars van eigenaar veranderen en veel produkten geen land van herkomst meer hebben. Een Amerikaanse auto bijvoorbeeld wordt met onderdelen uit ten minste zes landen gebouwd.

Met andere woorden, voor een groot land als de Verenigde Staten is de rust van een isolationisme niet meer weggelegd. Maar wat dan?

Een antwoord is er niet. Vast staat alleen dat Amerika en Europa zich tot rivalen dreigen te ontwikkelen wanneer de betrekkingen helemaal in het teken van handelspolitiek en wederzijdse frustraties komen te staan. De speurtocht naar een nuttig kader voor internationale betrekkingen en naar een Amerikaanse rol hierin kan jaren duren, aldus oordeelt inmiddels president Clinton zelf. Het is eerlijk maar nogal verontrustend.

    • Ben Knapen