Als keizer Nero bepalen ze welke duiven moeten sterven

ROSMALEN, 23 OKT. In bezieling, inzet, medische begeleiding, zelfs in experimenten met doping, in niets onderscheidt de duivensport zich van andere sporten. Behalve in de manier waarop met de verliezers, de minkukels, de schlemielen wordt omgegaan. Zij belanden bij de poelier, of in de kroketten, of in een Frans driesterren-restaurant.

Het wedstrijdseizoen is voorbij, dus dit is de tijd van "de selectie'. Van "de opruiming'. Van "de grote afvoer'. Aan emotieloze termen geen gebrek. Terwijl dit voor veel duivensporters het meest emotionele moment van het jaar is. Als een keizer Nero bepalen ze met de richting van hun duim wie moet sterven. Ze kunnen niet alle duiven laten leven. Omdat dan overbevolking en ziektes en degeneratie dreigen. Alleen de beste, de sterkste mogen overwinteren. Dat zijn de wetten van de natuur.

Wie mag blijven leven, wordt in de eerste plaats bepaald door afstamming en prestaties. Zegt Harrie van Zuylen, duivenmelker in Rosmalen sinds 1956. Zegt ook Martien Booyen, zijn duivensportvriend. Maar de selectie is geen kille, klinische, puur rationele operatie. Gevoelsargumenten en intuïtie spelen wel degelijk mee. Een duif die na een wedstrijdvlucht al lang was opgegeven en die dan zeven jaar later toch weer het hok komt binnenvliegen, “daar word je even klein van”, zegt Van Zuylen. Die doe je nooit meer weg.

En een kampioen die bij Booyen zijn pensioen haalt, “die mag natuurlijk blijven tot ze niet meer opstaat”. Net zoals de duif die eruit springt door haar karakter, haar gedragingen. Die houd je, soms ten koste van haar soortgenoten die aanzienlijk beter hebben gepresteerd. “Om het plezier dat ze heeft gebracht.”

Dat zijn de gelukkige. Maar eenderde van de 9,2 miljoen Nederlandse postduiven haalt het voorjaar niet. Een deel sterft door roofvogels, hoogspanningskabels, ziekte, ouderdom. Tussen de een en twee miljoen duiven komen terecht in de voedingsindustrie.

Aan die jaarlijkse slachting zal Van Zuylen nooit wennen. “Ze zijn toch een jaar lang je vriend geweest. Allemaal met hun eigen karakter, hun eigen vliegbeeld, hun eigen model. Van allemaal ken ik het ringnummer, de vader en de moeder, de grootvader en de grootmoeder, ook allemaal met ringnummer. Al die kleine persoontjes zomaar naar de poelier brengen, stuit me tegen de borst.” Al heeft hij zich door zijn weerzin nooit laten weerhouden. “Het is hard maar het is niet anders”, zegt hij met een diepe zucht.

Henk Ouderdorp, directeur van de Nederlandse Postduivenhouders Organisatie (NPO), vindt dat selectie onlosmakelijk is verbonden met de duivensport. Hij brengt zijn overtollige vogels altijd naar een dorpsgenoot, die dol is op duivenvlees. “Andere mensen eten kip. Ik kan daar niks verkeerds in zien.”

Toch spreekt hij van een “afvoerprobleem”, omdat lang niet alle ter dood veroordeelde duiven op dierwaardige wijze aan hun einde komen. Dan doelt hij op de pluimveemarkt in Barneveld waar duiven “als dingen worden verhandeld”. Op elkaar gepropt in manden. Klaar voor afvoer naar Belgische delicatessenwinkels. Of naar de krokettenindustrie.

Maar hij maakt zich meer zorgen over het gebruik van doping in de sport. Duivenmelker Pigmans uit Tilburg baarde onlangs opzien door publiekelijk te bekennen dat hij zijn doffers en duivinnen druppels geeft om de rui te remmen. Dat bezorgt hen bij de vluchten in september een voorsprong op minder fortuinlijke soortgenoten, die een deel van hun energie verliezen aan het ruiproces. Pigmans zei dat “de waarheid” maar eens gezegd moest worden, maar voegde er meteen aan toe dat hij de druppels ziet als “normaal onderdeel van de medische begeleiding”. “Het verhaal dat het om doping gaat, moet de wereld uit.”

In die opvatting wordt hij gesteund door de leverancier van de druppels, de Belgische dierenarts N. Peeters, die dertig procent van zijn produktie aan Nederlandse duivenhouders slijt. Peeters had het medicijn ontwikkeld ter bestrijding van de derde ooglidontsteking. Pas later bleken de gunstige bij-effecten. De druppels werken niet alleen ruiremmend, ook pijnstillend, dankzij de toevoeging van cortico steroïden, een hormoon. Maar dat is een lichaamseigen stof die in de bijnier gemaakt wordt, zegt Peeters. “Dat kun je dus geen doping noemen. Al geven mijn druppels wel iets extra's aan een duif.”

Prof. Ducatelle van de Rijksuniversiteit Gent vindt dat er wel degelijk sprake is van doping. De extra cortico steroïden verleggen de vermoeidheidsgrens, waardoor de duif langer doorvliegt. Conclusie van de hoogleraar: gebruik van het medicijn vervalst de concurrentiestrijd.

Directeur Ouderdorp heeft zo zijn twijfels over de wetenschappelijkheid van die bevinding. Hij zegt dat de effecten van dopinggebruik in de duivensport eerst eens goed onderzocht moeten worden. Dat gebeurt ook: in Luik, door prof. Findevogel. Een grootscheeps onderzoek dat door de FCI, de internationale duivensportfederatie, wordt betaald. En als die studie nog te weinig duidelijkheid verschaft, dan zal de NPO in Nederland zelf onderzoek laten verrichten, zegt Ouderdorp. Zo nodig zullen anti-doping-maatregelen volgen. “Want”, neemt de NPO-directeur alvast een voorschot, “duiven behandelen om prestaties te verhogen is ongepast.”

De NPO wil vermijden dat de duivensport door doping in discrediet wordt gebracht. De duivensport is toch al een sport in verdrukking. Nog altijd telt de Nederlandse Postduivenhouders Organisatie 47.000 leden. Maar dat aantal kalft wel jaarlijks met een tot twee procent af.

Dat komt misschien door het volkse imago van de sport, van oudsher het vermaak van Jan met de grijze stofjas en de platte pet op zijn kruin. Met het uitsterven van de handarbeid lijkt ook de duivensport op zijn retour. Maar de neergang wordt meer nog gevoed door welvaart en ruimtelijke ordening, meent Ouderdorp. Als jonge jongen had hij vroeger de keuze uit voetbal en duivensport. Maar de jeugd van tegenwoordig kan uit duizend hobbies kiezen. En om een bouwvergunning voor een duivenhok te krijgen, als daarvoor al plaats is in die eigentijdse mini-tuinen, valt niet mee in het tijdperk van overregeldheid.

Als de duivensport wil overleven, zal ze zich moeten aanpassen aan die maatschappelijke ontwikkelingen, zegt Ouderdorp. Wie brengt het tegenwoordig nog op elk weekend, elke werkdag in de weer te zijn? Wie zet nog al zijn vakanties opzij? Toch zijn dat de eisen die de duivensport van oudsher stelt. De NPO probeert die lasten te verlichten door stimulering van "samen spelen', het met tweeën beheren van een hok. Ook specialisatie wordt aangemoedigd, beperking tot de vitesse (vluchten tot 300 km), de midfond (tot 500 km) of de fond (tot 1350 km).

Negentig procent van de Nederlandse duivensporters mag je omschrijven als “hobbyist”, zegt Ouderdorp. “De overige tien procent is dag en nacht bezig met zijn sport. Met kweken, voeren en verzorgen. Hun duiven worden bijna wetenschappelijk begeleid. Natuurlijk proberen ze dan ook de grenzen te verleggen. Zoals dat bij alle topsport gebeurt. Maar of hun succes dan aan dat extra middeltje is te danken, of aan die uitgekiende verzorging, dat is maar de vraag, zegt Ouderdorp.

Van Zuylen en Booyen hebben daarop wel een antwoord. “Negentig procent van de duivenmelkers zoekt het geheim van de sport bij een ander. Waar de geheimen te vinden zijn, in hun eigen hok, daar kijken ze niet.” Terwijl het kijken naar duiven de basis voor alle succes is. En je moet natuurlijk een eigen systeem hebben, zeggen van Zuylen en Booyen, die zich beschouwen als de coaches van een team met topatleten. Dat systeem moet je ook durven te handhaven als het een jaartje tegen zit. “Want als je het roer elk jaar weer omgooit”, zegt Booyen, “als je steeds maar achter andere mensen aanholt, blijf je je hele leven zwalken.”

“Terwijl het in de duivensport juist aankomt op geduld en vertrouwen”, beleert Van Zuylen. Om dat nooit te vergeten, draagt zijn eerste hok het opschrift "Geduld overwint alles'. "Het gaat niet vanzelf' staat er boven zijn tweede hok.

Ze onderscheiden kweek- en speel-systemen. Bij de kweek gaat het erom de duiven zo te koppelen dat de goeie eigenschappen worden verankerd, terwijl de minder goeie worden geëlimineerd. Bij het spelen is het de kunst een innige band te krijgen met de duiven, wat bij hun geboorte begint en elke dag opnieuw in vaste regelmaat moet worden bevestigd. Verder dienen ze door gerichte voeding en individuele begeleiding in optimale conditie te worden gebracht.

Of een duif dan kampioen wordt en voor recordbedragen van meer dan een ton naar Japan wordt verhandeld, of op het bord van een smulpaap terecht komt, hangt af van de vliegprestaties. Van Zuylen: “Het is uiteindelijk de mand waaruit de duif gelost wordt, die als keurmeester fungeert.”

    • Dick Wittenberg