Uitzicht op iets groters dan Amerika; Aan zee op Cape God

Hij komt aanrijden in het licht van de namiddagzon. Ik zit op de buitentrap van het Ocean View Motel en klop het zand van Graigville Beach uit mijn schoenen, terwijl hij zijn open Chevrolet de parkeerplaats oprijdt. Hij is alleen. Hij heeft gebleekt kort haar en een strak gezicht, anoniem gemaakt door een zwarte zonnebril. Ik schat hem eind twintig. Wanneer hij de motor heeft uitgezet blijft hij stil zitten, voor zich uit starend, alsof hij wacht.

Het kleine Ocean View Motel ligt er wat verlaten bij, aan de kustweg naar Hyannis Port. Het is na Labor Day Weekend en de meeste kamers zijn leeg. De gezinnen hebben hun convertibles volgestouwd en zijn weggereden, via Route 6 over het Cape Cod Canal, terug naar Boston, Providence, New York - terug naar de stad. Op het strand loopt alleen nog een oude man met een metaaldetector, zijn hoofd strak naar beneden gericht, als een van de vogels in de vloedlijn. Achter hem de oceaan en het beroemde licht, warm en etherisch tegelijk.

De jongen is uit zijn auto gestapt. Met een snel gebaar pakt hij een tas van de achterbank, die vol losse bagage ligt; tijdschriften, een ghettoblaster, een pak papieren zakdoeken, T-shirts, lege, samengeknepen Pepsi-blikjes. Hij schuift zijn zonnebril omhoog, kijkt naar mij, steekt zijn hand op en verdwijnt rechts van mij door de deur naar de receptie.

Hij heet Scott. 's Avonds klopt hij op de deur van mijn kamer, stelt zich voor met een stevige hand en vraagt of ik al gegeten heb. Nee, zeg ik. We stappen in zijn Chevrolet en rijden langs voorbeeldig pittoreske houten en stenen huizen, de gevels subtiel verlicht. Dit gedeelte van Cape Cod is voor rijke oude mensen; ik zie uithangborden van doktoren, fysiotherapeuten, acupuncturisten, pottenbakkers en antiquairs. Hotels beloven een speciaal welkom voor senior citizens. De auto's rijden hier nog voorzichtiger dan in de rest van de Verenigde Staten.

Scott kan niet wachten met zijn verhaal. Hij is gevlucht, vertelt hij me trots. Hij is gevlucht uit New York. Op een avond kwam hij laat thuis van zijn werk en toen heeft hij zijn besluit genomen. De volgende ochtend heeft hij een trein van Penn Station genomen. In Providence heeft hij deze auto gehuurd en nu rijdt hij al vier dagen op Cape Cod rond. “It's a lonely party, but I like it.”

Het klinkt als een vraag. Scott parkeert de auto vlak bij de aanlegsteigers van het haventje. Grote glimmende plezierjachten liggen naast vissersschepen. Een groepje mannen in scheepstruien met CAPE COD in grote letters loopt ons lachend voorbij. Een van hen rinkelt met autosleutels. Hier is iedereen rijk, zegt Scott.

Scott is niet rijk. Scott heeft geen cent. We eten in Brewsters, een visrestaurant met een terras dat over de haven uitkijkt. De gefrituurde vis en mosselen smaken vooral naar de dikke cocktailsaus. Vet stolt op onze plastic borden. Scott kijkt me aan, glimlacht heel even heel breed en zegt: ik denk nog steeds dat ik de goede beslissing heb genomen. Het klinkt opnieuw als een vraag.

Hij is tweeëndertig. Tien jaar heeft hij op een bank in Manhattan gewerkt. Tien jaar heeft hij 's ochtends om acht uur de metro downtown genomen, zijn harde bankiersmasker opgezet (zijn asshole face, noemt hij het) en tot laat in de avond hypotheken verkocht. Het was het allerergste werk dat hij zich voor kon stellen. Aan het eind kon hij geen hypotheek meer zien. De groet van de portier iedere ochtend bezorgde hem hoofdpijn, de aanblik van collega-bankiers maakte hem misselijk. 's Nachts droomde hij van real estate. Maar ik was goed, zegt hij ineens dreigend, alsof ik zijn capaciteiten in twijfel heb getrokken. “I was good.” Scott had zich opgewerkt - letterlijk. Toen hij ontslag nam, werkte hij op de achtenvijftigste verdieping.

Zijn beste vriend bood hem een nieuwe toekomst aan. Eric verdiende goud bij een catering-bedrijf. Twintig dollar per uur, plus fooien. Het enige dat je nodig had was een oberpak en, voor sjieke gelegenheden, een tuxedo. En je ontmoet interessante mensen, had Eric gezegd, mensen die iets voor je kunnen betekenen. Scott had geen bedenktijd gevraagd.

Maar toen hij zich de eerste avond voor de spiegel zijn oberjasje aantrok, keek Scott naar zijn eigen gezicht en dacht: God, ik ben tweeëndertig en ik begin opnieuw als ober. Voor zijn voeten opende zich een afgrond. De avond was verschrikkelijk geweest: buikige en kalende heren uit de farmaceutische industrie die zich volpropten en volgoten omdat ze een nieuw middel tegen depressies op de markt hadden gebracht. Niemand interessant en nauwelijks fooien. Thuis was hij zo moe geweest dat hij de hele nacht niet had kunnen slapen. De volgende avond ging heel wat beter: Scott had zijn tuxedo gedragen en Henry Kissinger bediend. Die man weet wel wat een fooi is. Toen was alles misgegaan.

Allereerst bleek hij geen twintig dollar te krijgen, maar tien; en hij werd niet per avond of per week uitbetaald, maar per maand. Dat betekende dat hij de huur van zijn appartement op de West Side niet meer kon betalen. Hij was bij Eric ingetrokken; Eric woonde samen met een paar honderd kakkerlakken in een bezemkast aan de Lower East Side. Tijdens een diner voor oude anchormen van een kabelzender had hij drie volle borden laten vallen. Tegen die tijd had hij al nauwelijks geld meer om zijn tuxedo te laten reinigen. De avond daarna bediende hij op een feest waar twee geslaagde oud-klasgenoten van hem rondliepen - geslaagd in het bankwezen. Ze hadden hartelijk naar hem geglimlacht, oprecht blij dat hij mislukt was.

Dat was de druppel, zegt Scott, zijn gezicht vol blonde ernst. Ik heb niet eens ontslag genomen. Gelukkig heb ik mijn Mastercard nog. Ik heb wat spullen in een tas gegooid en ik ben vertrokken. Soms zit ik zingend achter het stuur, soms ben ik doodsbang. Maar ik ga nooit meer terug naar die bank. Luister, ik voel me een beetje als die twee vrouwen in die film, Thelma and Louise. Ze zijn helemaal vrij, maar aan het eind zijn ze zo vrij dat ze alleen nog maar een afgrond kunnen inrijden.

Wat ga jij doen? vraag ik.

Scott haalt zijn schouders op. Ik weet het niet, zegt hij. Met een hand veegt hij cocktailsaus van zijn lippen.

Waarom Cape Cod? vraag ik.

De zee, antwoordt Scott.

I k begrijp Scott wel; Cape Cod is vooral de zee. De landengte die zich in de Atlantische Oceaan uitstrekt, heeft haar mythische betekenis voor Amerika in de eerste plaats te danken aan het water dat haar van bijna alle kanten omringd. De geografische vorm van Cape Cod wordt altijd vergeleken met een gebogen arm met gebalde vuist; maar die vuist richt zich tegen de rest van Amerika - niet tegen de oceaan.

Dat Cape Cod niet Amerika wil zijn, wordt een bezoeker voortdurend duidelijk gemaakt. In de memoires van geboren en getogen Cape Codders, waarvoor in iedere plaatselijke boekhandel een apart hoekje is ingericht, valt keer op keer te lezen dat de vissers van Provincetown vertrouwd waren met de havens van heel de wereld, maar Boston nooit hadden bezocht. De schrijver Robert Finch, die in 1972 op de Cape is komen wonen en sindsdien met alle hartstocht van een bekeerling zijn nieuwe thuis bezingt, heeft zijn bloemlezing uit de vier eeuwen literatuur over het schiereiland A Place Apart genoemd.

Het is de zee die hier alles anders maakt: het licht, de lucht, het land, de mensen. Het vasteland van Amerika mag het patent hebben op de harde werkelijkheid, de oceaan rondom Cape Cod is de droom, het verlangen. Toen de verstokte landrot Henry David Thoreau in 1851 besloot deze onbekende landtong van Massachusetts wandelend te verkennen, ontdekte hij geen land, maar water. Zijn intense liefde voor de Amerikaanse natuur, die hem enkele jaren daarvoor in de bossen van Walden diep in zichzelf had doen kijken, kreeg aan de kust van Cape Cod plotseling vleugels. De Atlantische Oceaan gaf hem een uitzicht op iets dat groter was dan hijzelf, groter dan Amerika zelfs. In de laatste alinea van Cape Cod (verzamelde lezingen die in 1865 postuum als boek verschenen) kent zijn oceanische euforie letterlijk geen grenzen meer: “Wat zijn bronnen en watervallen? Hier is de bron der bronnen, de waterval der watervallen. Een storm in de herfst of in de winter is de beste tijd om er een bezoek aan te brengen; een vuurtoren of vissershut het ware hotel. Een man kan daar gaan staan en heel Amerika achter zich laten.”

Het verlangen om Amerika achter zich te laten; dat verlangen moet wel bijna zo oud als Amerika zelf zijn. Het is een verlangen naar herwonnen onschuld en zuiverheid, die de materialistische wereld ontstijgen. Het is het verlangen van de New Yorker om niet in New York te zijn, van de beursspeculant om houthakker te spelen, van de President om met kaplaarzen en een werphengel in zee te staan, het verlangen van Scott om iemand anders dan Scott te zijn. Thoreau is de hogepriester van dat verlangen, en hij heeft behalve Walden nog een nostalgische plaats op de landkaart van de Amerikaanse geest gezet: Cape Cod.

Wie op Cape Cod is, voelt zich omringd door die mythe van de totale vrijheid. In Provincetown is een bescheiden museum ingericht ter ere van de Pilgrim Fathers, die daar in 1620 voor het eerst voet op Amerikaanse bodem zetten. Er staan maquettes van schepen en huizen, van opgezette dieren. Er zijn muurschilderingen van die eerste stappen aan wal, het gezicht van iedere Pilgrim Father stijf van onschuld, een onbeschreven blad. In vitrines liggen dagboeken en brieven, trots ondertekende verdragen en contracten. Wat onbewust geromantiseerd wordt is echter niet de Aankomst, maar de Reis. Wie langs de uitstalkasten met verweerd scheepstuig, wapens en aangespoeld antiek loopt, wordt onherroepelijk bevangen door de aandrang mee te varen op de Mayflower, maar in omgekeerde richting; terug in de tijd, wèg van Provincetown, wèg van Amerika. Het kan geen toeval zijn dat het belangrijkste onderdeel van het museum een hoge stenen uitkijktoren is: wanneer je na een lange klim bovenop bent, zie je vooral hoe oneindig de oceaan is.

Die oceaan blijft oneindig zolang er echte walvissen in rondzwemmen. Sightings 99% Guaranteed! belooft het foldertje van de Whale Watch, een bedrijfje in Provincetown dat driemaal daags een boottocht op de oceaan organiseert. Op een kleurenfoto maakt een walvis een sprong als bewijs van zijn opperste vrijheid, onder het toeziend oog van een boot met dagjesmensen. Walvissen zijn op dit moment een rage. Ze zijn vriendelijk, natuurlijk en weerloos; zoals veel Amerikanen zich het kind in zichzelf voorstellen.

In een shopping-mall in Hyannis zie ik de film Free Willy, een zomerhit waarin een geadopteerde straatjongen vriendschap sluit met Willy, een orca die zijn dagen in gevangenschap slijt. De eigenaar van het dolfinarium is een slecht mens, want hij geeft toe dat hij alleen maar geld wil verdienen. In de dagelijkse werkelijkheid van New York zou hij een held zijn, maar in de donkere bioscoopzaal herkennen we hem allemaal ogenblikkelijk als de mens die we nooit willen worden. We leven mee met het maatschappelijk gekneusde jongetje, dat van een Native American een oude magische spreuk leert en de walvis zijn vrijheid teruggeeft. Aan het eind van de film maakt de walvis een reusachtige sprong over een stenen barricade en verdwijnt in de oceaan. Het lied bij de aftiteling over een groep vrij zwemmende en springende orca's wordt gezongen door Michael Jackson.

Het is een sprong die in het echte leven nooit gemaakt kan worden, niet door Scott, niet door Michael Jackson, niet door Native Americans, en ook niet door de orca Willy, die in de film grotendeels gespeeld wordt door een robot. De walvis die in sommige scènes Willy speelt, heet Keiko en lijdt een zieltogend bestaan in een veel te klein dolfinarium ergens in Mexico. Sinds het succes van de film zijn er actiegroepen opgericht die alle orca's in gevangenschap hun vrijheid willen teruggeven (Amerika's belangrijkste dolfinarium-keten, Sea World, slaat terug met idyllische televisiespotjes vol lachende orca's en bassins zo groot als de oceaan). Maar Keiko kan niet terug. Hij lijdt aan een schimmelinfectie, opgedaan tijdens zijn gevangenschap. De producer van Free Willy, Richard Donner, zoekt naar een mogelijkheid om voor Keiko en zijn lotgenoten een nieuw reservaat te maken. De ideale plaats voor dat reservaat, zegt hij in een interview, is de kust van Cape Cod.

I n een boekhandel in Hyannis koop ik een boek over die andere plaatselijke mythe: Kennedy. Op het omslag van The Cape Cod Years of John Fitzgerald Kennedy staat een zwart-wit foto: een jonge JFK in korte broek op een klein zeilbootje, samen met Jackie, die met een grote ouderwetse camera een foto van hem neemt. Kennedy heeft het gehesen zeil vast en kijkt er schattend naar door een zonnebril. De foto, lees ik binnenin, is genomen in juni 1953, nadat de verloving tussen Kennedy en Jacqueline Bouvier bekend was geworden. Het bootje is een "Sailfish".

In het Amerikaanse bewustzijn is die foto de tegenhanger van de schokkerige kleurenfilm die op vrijdag 22 november 1963 in Dallas werd gemaakt. Op Cape Cod, is de idealiserende strekking van foto en boek, lukte het Kennedy Amerika achter zich te laten. Zijn vader, Joseph, kocht in de jaren twintig een huis in Hyannis omdat de rijken van Newport hem te ordinair vonden. Daar, in de Kennedy Compound in Hyannis Port, voer de jonge Jack tot achter de horizon met zijn mooie jonge vrouw, daar leerde hij de jongere Ted zeilen en namen de drie broers deel aan bootraces die eerlijk en oprecht waren en best sportief verloren konden worden.

Voorgoed ontsnappen was onmogelijk, natuurlijk, en ook nooit de bedoeling. Amerika liet de Kennedy's niet los. De auteur van The Cape Cod Years beschrijft met spijt in zijn pen hoe de kleine, overzichtelijke, onschuldige wereld van de Cape onherroepelijk moest worden ingeruild voor het labyrint van macht en corruptie dat Washington heet. Wanneer de helikopter van de president in 1963 voor de laatste keer opstijgt van de Compound is het slecht weer en volgens de auteur ziet Kennedy “beneden alleen een mistige glimp van Cape Cod, een eilandachtig, gebogen stuk land verbonden met het vasteland door twee speelgoedachtige bouwsels die de vlakke, grijze uitgestrektheid van de omringende oceaan overbrugden. Het was een gezicht op Cape Cod dat Kennedy veel malen eerder had mogen aanschouwen - en dat hij nooit meer zou zien.”

I n Commercial Street, de smalle hoofdstraat van Provincetown, loopt een man met een stok. Hij heeft een ingevallen gezicht en zijn zwarte haar ligt dun op zijn schedel. Voor de etalage van de kleine kunstgalerie Passions blijft hij stilstaan. Hier vindt de One Woman Show van Diane Romanello plaats: schelgekleurde gezichten op zee in olieverf.

Provincetown heeft het hoogste percentage aids-patiënten van Massachusetts. Dat komt omdat zoveel homoseksuele Amerikaanse mannen er komen om te sterven. Het stadje is sinds de jaren vijftig een vrijplaats geweest voor hen en voor lesbische vrouwen, maar in de jaren tachtig was er van de traditionele uitgelatenheid plotseling weinig meer over.

Freddy, een veertigjarige barkeeper uit Boston, die zomers in een nichtencabaret in dezelfde straat werkt - ergens tussen het poezen- en het walvisboetiekje in - heeft me verteld hoe erg het was. Bijna van de ene dag op de andere was Provincetown een spookstad geworden, zegt hij, vol broodmagere, skeletachtige mannen, armen en benen dun als lucifershoutjes. Ze kropen door de hellende straten, een doodsgrijns op hun lippen. Ze zaten, ingepakt in dekens en shawls, de hele dag aan het strand naar de horizon te staren. Dagelijks werden kilo's as uitgestrooid over het water van de oceaan. Nu gaat het gelukkig weer beter, zegt Freddy, de café's en restaurants zijn weer vol, er kan weer gelachen worden. Gisteren was er een veiling ten bate van de plaatselijke Aids Support Group in het Unitarian-Universalist Meetinghouse even verderop, en het was een vrolijke veiling. Kunstenaars hadden schilderijen gegeven, koks leverden schotels, grootmoeders kwamen met zelfgebreide pannelappen aanzetten. Provincetown is fighting Aids with art, had er in de krant gestaan. Op zijn CAPE COD-sweater draagt Freddy het rode aidslintje.

Vanaf mijn stoel op het kleine terras zie ik tientallen stellen voorbij lopen, mannen met mannen, vrouwen met vrouwen, de meesten nadrukkelijk hand in hand. Sommigen van hen dragen roze driehoekjes als sieraad, anderen buttons met uitdagende teksten over trots en eigenwaarde. Een reusachtige zwarte man met een biceps zo dik als een boomstam houdt de hand van zijn blanke vriend in zijn enorme palm als een breekbaar kleinood.

De man met de stok voor de etalage tegenover mij staat voorovergebogen en tuurt aandachtig naar een van de schilderijen van Diane Romanello. Het doek, zie ik later, heet Lover's Walk. Er staat een houten steiger op, die midden door een zee van uitzinnig bloeiende bloemen rechtstreeks een diepblauwe oceaan inloopt.

    • Bas Heijne