Smaak ontwikkel je in de kroeg; Louis Andriessen en zijn leerling- componisten

Componeren is een vreemd vak, maar lesgeven in compositie is misschien nog wel merkwaardiger. Waarom deugt het ene akkoord wel en het andere niet? Is er in de moderne muziek nog wel een verschil tussen goede en foute noten?

Componist Louis Andriessen en twee van zijn leerlingen over ongeduld, concentratie en reepjes vloeipapier.

Festival in de branding, 26 okt. t/m 3 nov. op verschillende locaties in Den Haag. Jonge componisten in Korzo, 29 okt. (20u30).

Louis Andriessen draait een shaggie. Hij scheurt zowel van de lange als van de korte kant van het vloeitje een klein reepje af en rolt vervolgens geroutineerd de tabak ertussen. Ik volg zijn bewegingen met aandacht, want een paar uur tevoren heeft een vroegere leerling, componist David Dramm, me uitgelegd wat de shaggies van Louis met compositieles te maken hebben.

Op het Haagse Festival in de Branding, met werk van Louis Andriessen, zal een concert gewijd zijn aan muziek van enkele van zijn leerlingen. Het valt niet mee om afspraken met de leerlingen van Andriessen te maken. Een aantal zit in het buitenland, anderen zijn zo druk met hun werk dat ze nauwelijks tijd hebben voor een gesprek. David Dramm (31) woont samen met zijn vrouw, de fluitiste Ann La Berge, en dochtertje in een smal straatje aan de rand van de Wallen in Amsterdam. Hem spreek ik de ochtend voordat ik naar Andriessen zelf ga. Ron Ford (34) is moeilijker bereikbaar. Hij kijkt tegen een deadline aan en werkt in een stil kamertje in Bilthoven, maar op vrijdagmiddag maakt hij even tijd voor me. “Dat is een van de dingen die Louis me geleerd heeft,” zegt Ford tijdens ons gesprek, “als iets af moet, moet je niet meer zeuren. Dan moet je het gewoon doen. Nu!” Ford is verantwoordelijk voor de programmering van het leerlingen-concert. “Het wordt een beetje een gek concert,” zegt hij, “met veel onvoorspelbare en ongrijpbare dingen. En niet alleen van leerlingen trouwens. Louis zelf doet ook mee, met improvisaties. Bovendien heeft hij zich altijd eerder als een collega dan als een leraar opgesteld.”

“Het eerste wat ik mijn studenten leer is hoe ze zich moeten concentreren.” zegt Andriessen, nadat hij zijn sigaret heeft aangestoken. “Ze moeten een rooster maken, waarin rekening wordt gehouden met vrije tijd. Jonge componisten hebben soms heel romantische gedachten over hun werk. Als ze geïnspireerd zijn, denken ze dat ze het beste de hele nacht kunnen doorwerken. Maar dat is onverstandig, 's morgens kun je het meeste van wat je die nacht hebt gemaakt zo in de prullenmand gooien. Je moet juist stoppen als het goed gaat, want dan kun je de volgende sessie op dat punt meteen weer verder.

“Jonge componisten zijn vaak ongeduldig, ze raken een beetje geëxalteerd als het lekker gaat - dat is logisch, want componeren ligt dicht naast de ziel en grijpt diep in. Maar door dat ongeduld proberen ze zo snel mogelijk alles op te schrijven en dat kan natuurlijk niet. Op zo'n moment moet je even koffie zetten, anders verlies je het overzicht. "Componeren is wachten, en op het juiste moment toeslaan,' zei Stravinsky.”

Foute noten

Componeren is een raar vak, maar lesgeven in compositie is misschien nog wel merkwaardiger. Wat moet je tegen een student zeggen, die met de eerste pagina's van een strijkkwartet aan komt zetten? Waarom deugt het ene akkoord wel en het andere niet? Er is geen universeel compositiesysteem meer, zoals dat ten tijde van Mozart en Beethoven en zelfs nog in het begin van deze eeuw bestond, hoe kun je dan nog het verschil tussen goede en foute noten uitleggen? Bestaat dat verschil eigenlijk nog wel, of is alles slechts een kwestie van smaak?

Volgens Andriessen is lesgeven niet moeilijker geworden sinds het oude systeem van de tonaliteit als een stevige kapstok voor iedere compositie is verdwenen. Opnieuw haalt hij woorden van Stravinsky aan, die zei: "Componeren is moeilijker dan ooit, zoals het dat altijd al was.' Andriessen: “Elk akkoord heeft al eens geklonken, tenminste als het een zinvol akkoord is. Je kunt natuurlijk met je ellebogen op de piano beuken, maar zelfs dat is al gedaan. Je hebt als componist dus steeds met geschiedenis te maken. Een akkoord verwijst naar iets bestaands, of dat nou Messiaen is of Beethoven maakt niet uit. Als leerlingen niet verder komen met een partituur, haal ik muziek van Chopin of Debussy uit de kast om te laten zien dat componisten vroeger soortgelijke problemen tegenkwamen.”

Voor Andriessen begint het componeren bij het zelf musiceren: “Ik heb wel eens gezegd: één noot op een piano spelen is muzikaler dan duizend symfonieën beluisteren. Geef mij maar die jongens uit popbandjes in plaats van chique kereltjes die de hele dag cd's draaien.”

Tot die eerste groep behoorde de Amerikaan David Dramm. Hij speelde al op zijn elfde voor het eerst in een rockgroepje, als zanger en gitarist. In tegenstelling tot zijn leeftijdgenoten, die meestal bekende liedjes nazongen, wilde Dramm vrijwel meteen eigen liedjes schrijven, maar wel "in de stijl van Elton John of de Rolling Stones.' (Andriessen: “Brecht zei al: "Leren doe je door te imiteren'. Mijn eerste stukken waren ook een beetje Poulenc en een beetje Ravel.”)

Later groeide Dramms belangstelling voor de jazz. hij kwam in een groep met een stuk of acht muzikanten, onder wie blazers. Ineens moest er worden nagedacht over instrumentatie. Het veel gebruikte voorbeeld, de eenvoudige en zelden langer dan vier minuten durende liedvorm uit de popmuziek, voldeed niet meer. Voor een stuk van tien minuten werd hij genoodzaakt iets te "doen' met het muzikale materiaal, het moest worden "ontwikkeld', uitgewerkt en gevarieerd.

Ron Ford is ook Amerikaan, maar zijn scholing was aanvankelijk meer klassiek georiënteerd. Ford: “Ik had pianoles en tot grote onrust van mijn lerares begon ik Beethovensonates te corrigeren. Ik heb haar wel laten zien waarom dat wat ik deed volgens mij leuker was, maar ze kon het niet waarderen. Via improvisatie en het spelen van popmuziek, ben ik uiteindelijk op de universiteit terecht gekomen om compositie te studeren.”

Jimi Hendrix

De stap in de richting van het "serieuze' componeren zette David Dramm uit onvrede met de jazz en de rol van de gitaar daarin. Dramm: “De tijd van de grote jazzgitaristen was voorbij, zoals in de popmuziek die van Jimi Hendrix. De gitaar was in een onbeduidend hoekje gedrukt en mocht alleen nog een schoon, helder soort geluid produceren. Ik had inmiddels kennisgemaakt met het werk van John Cage, en vrienden vertelden me over avant-garde muziek. Dat wilde ik ook.”

In 1987 twijfelde Dramm ernstig aan de zin van zijn studie. Hij vond de lessen steeds saaier worden en stond op het punt ermee te stoppen, toen Andriessen voor een half jaar gastcomponist werd aan de universiteit van Yale. Dramm: “In het voetspoor van Louis kwamen ook andere Nederlandse musici op bezoek. Een van hen was slagwerker Paul Koek. Louis legde in die tijd de laatste hand aan De Materie. Tijdens een van de colleges hebben Paul Koek en hij samen het eerste deel van dat werk, met veel akkoordengeweld, voor ons uitgevoerd. Met een stuk of zes studenten stonden we om een tafel waarop de partituur van De Materie en een hele stapel linialen lagen. Paul en Louis namen elk een liniaal en timmerden in het ritme al die akkoorden. Steeds weer sneuvelden er linialen en pakten ze nieuwe, de kapotte smeten ze achteloos de zaal in. Het was een heel gevaarlijk concert.

“Voor mij was dat de eerste echte Nederlandse uitvoering. Ik zag met hoeveel enthousiasme en passie hedendaagse muziek gespeeld kan worden. Het leverde de sleutel voor mijn manier van werken. Ik ging weer zelf spelen en besefte dat het niet alleen om de juiste noten ging, maar vooral om de juiste esthetiek.”

Over goede en foute noten in zijn eigen werk - de schoolmeesterachtige kant van het lesgeven - heeft Dramm eigenlijk zelden met Andriessen gesproken. Dramm: “Op mijn eerste les kwam ik met de eerste vijf minuten van een stuk dat was gebaseerd op de Hobosonate van Saint-Saëns. Ik was via een ingenieus systeem bezig om noten uit de partituur te wissen. Het had te maken met mijn belangstelling voor de filosofie van Derrida, voor het deconstructivisme en het postmodernisme. Iedere anderhalve maat verstoorde ik de sonate met een fragmentje à la Elton John, Rachmaninov of iemand anders. Toen Louis het eerste deel van de partituur zag, vroeg hij wat ik met dit stuk wilde. Hij zei dat hij Saint-Saëns eventueel wel kon verbeteren, maar hij zou niet weten hoe je noten moest schrappen. Ik moest zelf maar een oplossing verzinnen.”

Daarna zetten ze de les voort in de plaatselijke koffieshop, met de toepasselijke naam Napels, waar Dramm in zijn ogen exotische dingen leerde als dubbele espresso's drinken en shaggies draaien. Vooral dat laatste bleek van groot belang. Dramm: “Louis scheurt altijd een reepje van het vloeipapier om niet te veel papier te roken. Hij hield een heel verhaal over de balans tussen de tabak en het papier. Dat was een fraaie metafoor voor de manier waarop ik componeerde. Ik was in die tijd vooral bezig om mooie partituren te maken, een overblijfsel van de avant-garde van de jaren vijftig en zestig; partituren zoals je ze nu nog wel tegenkomt bij de Gaudeamus Muziekweek. Ze zien er heel goed uit, heel indrukwekkend, met veel noten, mooi geschreven en grafische keurig verzorgd. Maar eigenlijk is alleen het roken belangrijk en niet het papier. Het gaat niet om de partituur, maar om het klinkend resultaat.”

Studiebeurs

Voor David Dramm waren de lessen van Andriessen een aanleiding om twee jaar later naar Nederland te vertrekken. De keuze was: Amsterdam of New York, want dat is de enige stad in Amerika waar het mogelijk is om een bestaan op te bouwen als freelance componist. Overal elders in Amerika kan een componist alleen overleven als docent aan de universiteit. Een door de universiteit georganiseerde avantgarde, daar voelde Dramm niets voor.

Ron Ford kende Nederland bij aankomst nauwelijks en van Louis Andriessen had hij slechts één werk gehoord. Hij had in Amerika een studiebeurs weten te bemachtigen op basis van een vaag plan om een jaar lang ergens buiten Amerika te studeren. Een bevriende pianist vertelde hem over Nederland, waar een uitzonderlijk goed klimaat scheen te heersen voor moderne muziek, waar orkesten bestonden die alleen maar hedendaagse muziek speelden. Het beviel Ford zo goed, dat hij niet meer naar Amerika is teruggegaan. Hij studeerde één jaar bij Ton de Leeuw en twee bij Robert Heppener, voordat hij bij Andriessen terechtkwam. Ford: “Bij Heppener moest ik vaak een stuk uit de partituur voorzingen, zelfs als het om een werk voor slagwerk ging. Dat werkte heel goed. Verder had hij veel praktische tips. Als ik met een stapel muziekpapier aankwam zei hij, dat ik die naast elkaar op de grond moest uitleggen om meer besef van het tijdsverloop te krijgen.”

In tegenstelling tot Dramm, heeft Ford wel "echte' compositielessen gehad van Andriessen. Ze spraken echter zelden over verkeerde noten, maar wel over de gevaren van een compositie, het mijnenveld waar de componist zijn muziek doorheen moet loodsen. Andriessen leerde hem ook heel praktische en concrete dingen, bij voorbeeld dat een compositorisch probleem zelden pas ontstaat op het moment dat het zich manifesteert. Meestal is er twee pagina's eerder iets fout gegaan. Ford: “Een belangrijke vraag van Louis was altijd: "Wat zijn je plannen?' Daarop gaf hij dan weer commentaar. Toen ik bij voorbeeld een stuk voor contrabas-solo wilde maken, vertelde hij me dat ik moest oppassen voor het lage register, omdat dat nogal modderig klonk en nooit lekker wilde zingen. Bovendien waren de lage tonen langzamer, dus waarschuwde hij me voor te veel snelle, krasserige passages in de diepte. Hij vond dat ik naar een bassist moest stappen om me alle mogelijke flageoletten te laten voorspelen. Daarmee kon ik de eerste tijd vooruit.”

Bekommeren

Veel beginnende componisten denken, volgens Andriessen, dat componeren gaat over het hebben van muzikale ideeën. Maar dat is niet zo. Ideeën zijn slechts een voorwaarde om te kunnen componeren. Andriessen leert studenten hoe ze met ideeën moeten omgaan, waarbij het de kunst is om met zo min mogelijk ideeën zoveel mogelijk te doen. Bijna alle grote componisten zijn daar volgens hem meesters in.

Andriessen: “Als je eenmaal een paar muzikale ideeën hebt, is het probleem om die met elkaar te combineren. Hoe maak je een overgang? Daar stranden veel componisten - Rachmaninov bij voorbeeld, die componeerde de ene overgang na de andere, zonder iets uit te werken en zich om de constructie te bekommeren. Vaak moet ik leerlingen uitleggen dat een bepaald idee misschien wel goed is, maar helaas niet in het stuk past. Dat is heel vervelend, want zij vonden het juist zo'n goed idee. Maar als het niet past, bij voorbeeld omdat het een heel ander tempo heeft, kun je het niet gebruiken. Slechte stukken zijn stukken met een muzikaal dingetje, en dan in een ander tempo weer een dingetje en een derde dingetje en zo verder. Zo'n partituur herken ik in een oogopslag. Dan hoef ik ook de samenklanken niet meer te controleren, want die zijn dan ook niet goed. Alles hangt met alles samen. Zoals ik ook onmiddellijk riedeltjes herken die uitsluitend vanwege het effect geschreven zijn. Daar gaat een streep doorheen. Ook toonclusters moet ik ernstig kritiseren, die zijn namelijk altijd hetzelfde. Op dat moment geef je als componist je werk uit handen en laat je het over aan toevalligheden.

“In een later stadium gaat een compositieles over de technische mogelijkheden en de klank van instrumenten, over de vraag of een melodie wel de goede kant op gaat, over akkoorden en de samenhang ertussen. En uiteindelijk, over het grootste geheim: de combinatie van al die dingen. Bijna alle fundamentele problemen zijn onoplosbaar, ook die van het componeren. Dus zit er een elegante, geïmproviseerde kant aan beslissingen nemen. Voor mij is dat het leuke van het vak.

“Als dat allemaal gepasseerd is, komt het laatste argument om de hoek kijken: smaak. Gelukkig heb ik alleen maar leuke leerlingen, maar het is denkbaar dat alles aan een stuk lijkt te kloppen en dat het toch vervelende muziek oplevert. Hoewel, ik ben geneigd te denken dat de componist dan niet kritisch genoeg was, dat hij het verhaal scherper had moeten formuleren en dat er kennelijk dus toch iets aan zijn systeempje niet deugt.”

Górecki

Smaak ontwikkel je volgens Louis Andriessen in de kroeg. Zelf behoort hij tot een van de weinige componisten van zijn generatie die zeer regelmatig concerten bezoeken, waarover na afloop in het café nog uren wordt doorgepraat. Daar debatteert hij met zijn leerlingen over de kwaliteit van Górecki of over de laatste plaat van Janet Jackson. Volgens Ron Ford is het een van de belangrijkste dingen die hij van Andriessen heeft geleerd: “Hij dwingt je om nieuwsgierig te zijn naar het werk van je collega's, om erover na te denken en er een mening over te hebben.”

Sociale contacten tussen zijn studenten vindt Andriessen belangrijk, vooral omdat de meesten uit het buitenland komen. Daardoor bestaat echter wel het gevaar dat ze zelfs jaren later nog als "leerling van' worden bestempeld. Ron Ford: “Je krijgt zo gemakkelijk een label opgeplakt. Als je dan een hard akkoord schrijft, dat niet al te atonaal klinkt, heet dat al gauw "typisch Andriessen' en hoeft er verder niet meer nagedacht te worden of geluisterd.”

David Dramm: “Wat de leerlingen van Louis bindt is een bepaalde luisterhouding. Ik kom uit een andere traditie dan bij voorbeeld Martijn Padding. Maar soms kunnen we naar een stuk van Thelonious Monk luisteren en zeggen: "Dàt akkoord!' Dan weten allebei wat we bedoelen.

“Sommige leerlingen ontdekken na een tijdje in hun muziek ineens akkoorden van Louis - daar is niets op tegen. Wat mij interesseert is, wat er op het podium gebeurt. Als componist wil ik dramatische momenten creëren en om zo'n moment te kunnen maken moet ik soms even jagen bij zeventiende-, achttiende- of negentiende-eeuwse componisten, of bij Louis.”

Louis Andriessen: “Van mijn leraren, mijn vader en Kees van Baaren, heb ik geleerd om niet mijn eigen muzikale stijl over te dragen. Dat veel leerlingen toch muziek schrijven die een beetje lijkt op die van mij is logisch. Meestal komen ze naar mij toe omdat ze mijn muziek heel leuk vinden.

“Ook na de studie hou ik contact met veel leerlingen. Een van hen heeft nog jaren telkens zijn nieuwste partituur aan me laten zien. Niet om kritiek te krijgen, maar eerder voor een complimentje, om wat ik noem een g-tje te halen. Het liefst had hij volgens mij gewild dat ik iedere partituur zou goedkeuren met zo'n lerarenkrulletje.”

    • Paul Luttikhuis