Rainer Maria Rilke

Rainer Maria Rilke: Florentijns dagboek (Das Florenzer Tagebuch). Vertaald en van aantekeningen en een nawoord voorzien door Philip van der Eijk. Uitg. SUN, 143 blz. Prijs ƒ 29,50.

Rainer Maria Rilke was tweeëntwintig toen hij naar Italië reisde om de kunstschatten van de vroege renaissance te bekijken. In zijn Florentijns dagboek, dat hij niet in Florence, maar in de mondaine badplaats Viareggio schreef, doet de jonge student een verwoede poging om indruk te maken op een door hem aanbeden vrouw: de schrijfster Lou Andreas-Salomé. Zij heeft het in München met hem uitgemaakt en nu roept Rilke haar op elke bladzij toe: "Kijk eens hoe uniek ik ben, hoe veelbelovend en gevoelig!' Zo vol is Rilke van zichzelf dat hij nauwelijks oog heeft voor de Toscaanse kunst. Wel onderkent hij zijn egocentrisme: “Zie je”, schrijft hij, “ik dacht dat ik een openbaring mee naar huis zou brengen over Botticelli of over Michelangelo. En ik breng slechts een bericht mee - over mijzelf, en het zijn goede berichten.”

Naast saaie visioenen van Rilkes stralende toekomst als kunstenaar bevat het Florentijns dagboek ook een paar interessante gedachten, over het verband tussen kunst en staat bijvoorbeeld. Ontroerend is de steeds herhaalde opmerking over de "feestelijkheid' van de kunstenaars der renaissance, in wier werk Rilke vooral de afwezigheid van angst bewondert. Breekt die angst bij Rilke later, in de Aantekeningen van Malte Laurids Brigge, in alle hevigheid door, in dit vroege werk wordt zij nog overstraald door optimistisme.

    • Anneriek de Jong