Orde is wanorde; Over de aantrekkelijke lelijkheid van Japanse steden

De meeste westerlingen reageren geschokt op de lelijkheid van de Japanse steden. Toch is volgens Botand Bognar, hoogleraar architectuur aan de Universiteit van Illinois, in Japan de toekomst te zien. “Het is een onvoorspelbaar spel, je weet niet welk gebouw volgende maand naast het jouwe staat.” De meeste gebouwen in Japan worden ontworpen door commerciële architecten. Projecten als Nexus en Artpolis, ontworpen door onafhankelijke, veelal jonge architecten, zijn een uitzondering. “Japanse architecten hebben nooit geleerd ruimtelijk te ordenen.”

Botand Bognar, hoogleraar architectuur aan de Universiteit van Illinois, brengt al twintig jaar lang elke zomer door in Japan, waar hij onderzoek doet aan de Universiteit van Tokio, discussies voert met Japanse collega's en door het land trekt om nieuwe architectonische meesterwerken te bewonderen. Hij geldt als een van de grootste westerse kenners van Japanse architectuur. Vorig jaar schreef hij in het blad Architectural Design een opzienbarend artikel, waarin hij Japan uitriep tot het land waar de "meest vooruitziende of toekomstgerichte' architectuur vandaan komt. “In Japan is de toekomst nu,” aldus Bognar.

Is dat niet een beetje overdreven voor een land waar de steden foeilelijk zijn, totale onverschilligheid bestaat voor ruimtelijke ordening en gebouwen worden neergehaald met een snelheid die duizelig maakt?

Het vraaggesprek met Botand Bognar heeft plaats in de foyer van Bunkamara, het theatercomplex in Shibuya, een van de grote uitgaanswijken van Tokio.

Bognar: “Slechts tot op zekere hoogte kun je westerse esthetische normen en waarden toepassen op Japan. Ik probeer het Japanse perspectief erbij te betrekken. Toen ik hier voor het eerst kwam, vond ik de meeste steden ook extreem lelijk, maar later ontdekte ik dat ze extreem uitdagend, extreem aantrekkelijk, extreem raadselachtig zijn.

“Zo is Tokio geen mooie stad, verre van dat. Tokio is erg levendig, erg dynamisch, met in westerse ogen maar één ordenend principe: chaos. In Europa bestaat een lange traditie in stedelijke planning. Het probleem is dat wij in het Westen een heel scherp onderscheid maken tussen orde en wanorde. Japanners kennen dat niet.

“Er is in Japan wel een historische traditie: de middeleeuwse kasteelstad kende een orde, een orde uit defensief oogpunt. Het kasteel was versterkt, maar de Japanse stad was nooit ommuurd. De houten huizen werden opzettelijk in de vorm van een labyrint neergezet, zodat elke indringer de weg kwijt zou raken. Het kasteel was heel zichtbaar, iedereen kon zien: dat is het gezag. Toen Japan omstreeks 1600 een eenheid werd, werden veel van deze kastelen verwoest en zo verdween het centrum van de steden vrijwel geheel. Er bleef geen actieve kern over. Bovendien was deze kern nooit een openbare plek. Alleen de hoogste klassen hadden toegang tot de shogun. Vergelijk het met de Verboden Stad in Peking, een stad op zichzelf. Tokio is nog steeds een prominent voorbeeld met zijn besloten groene gebied in het duurste deel van de stad, waar het keizerlijke paleis staat. In de traditionele architectuur bestonden geen openbare gebouwen, voor de Meiji Periode (1868-1912) had je geen openbare centra. De tempels stonden altijd buiten de stad. De hoofdsteden verhuisden ook telkens, want het Shintogeloof zei dat de grond waar de keizer was gestorven onzuiver was - tot Kyoto hoofdstad werd en het Chinese overheidssysteem werd geïntroduceerd.

“Interessant in dit opzicht is ook wat na de Tweede Wereldoorlog gebeurde. Veel steden waren verwoest. De bewoners bouwden hun houten huizen zelf weer op en herstelden daarmee de vooroorlogse chaotische structuur van de stad: de smalle straatjes, de dicht op elkaar gepakte huizen, het lage profiel, hooguit twee verdiepingen hoog, alles wat je tot op de dag van vandaag ziet. Er is nog steeds gebrek aan parken, aan brede wegen. Vandaar de wegen over de "dorpen', rails over en onder de stad, want op een andere manier kon het niet. Dat is de wanorde die elke bezoeker schokt. Toch bestaat er een ongelooflijke efficiëntie.”

Waarom is er in Japan op zo'n grote schaal een ontkenning van een stedelijk concept? Speelt haat misschien een rol bij het zo snel neerhalen van gebouwen?

“Ik denk dat de hoge omloopsnelheid uiteindelijk is terug te voeren op het commercialisme. Japan is extreem concurrerend, niet alleen met de buitenwereld, maar ook intern, in tegenstelling tot wat veel westerlingen denken. De concurrentie nam in de jaren tachtig excessieve vormen aannam. Of het haat is weet ik niet, maar sommige vormen van deze concurrentie werden misschien inderdaad veroorzaakt door persoonlijke of professionele conflicten. Je moet in Japan nu eenmaal de concurrent overtreffen. Het gebouw is hier niet alleen onroerend goed, het is ook een imago. In de jaren tachtig bereikte dat een absoluut hoogtepunt. Het slopen en bouwen zijn daaraan deels toe te schrijven. Een andere reden is dat de grondprijzen toen excessief stegen. De bouwkosten zijn daarmee vergeleken een fractie. In Europa is het precies andersom. Daarbij speelde de landmythe een rol: land kon alleen maar duurder worden. De grond werd opgesplitst om rendabel gemaakt te worden. Zo kreeg je de smalle, zes verdiepingen hoge gebouwen die je overal in de centra van de steden ziet. Het is een onvoorspelbaar spel, je weet niet weet welk gebouw volgende maand naast het jouwe staat. Daarbij zijn de bouwvoorschriften heel soepel vergeleken met die in het Westen, op één uitzondering na: de huurder moet meen ik een minimaal aantal uren zon per dag kunnen ontvangen. Daarom zie je de raarste vormen. Omdat ook de vorm van de stukken grond erg grillig is, krijg je een collage van elementen. Dat verklaart veel van de lelijkheid.”

Waarom verdragen de Japanners die lelijkheid? Hebben ze een andere perceptie van mooi en lelijk dan westerlingen?

Alles wat niet het hunne is, is voor Japanners heel aantrekkelijk. Alles wat ze waardeerden, brachten ze naar Japan: uit China, Korea, Indië. Japan heeft nooit last gehad van cultureel imperialisme. De Japanners trokken er zelf op uit, naar China, Korea. In de Meiji Periode was als laatste het Westen aan de beurt. Elk nieuw gebouw werd toen een westers gebouw, maar daarbij namen ze de vrijheid alleen datgene over te nemen wat bij hen paste, zonder de onderliggende ordenende principes. Ze namen delen van stijlen over, maar niet het raamwerk waardoor een classicistisch gebouw betekenis heeft voor westerlingen. Een recent voorbeeld is Il Palazzo van Aldo Rossi in Fukuoka. Dat is een stukje Italië ingeplant in de stad, zonder enige relatie met de omgeving. Elk gebouw is een geïsoleerd, bijna autonoom verschijnsel, zonder een stedelijk principe, een richtlijn. De Europese stad ging sinds de Renaissance uit van een ideaal concept, de Japanse stad is altijd een samenraapsel gebleven. Er was nooit een allesomvattend principe. Wat de gebouwen zelf betreft waren er wel degelijk concepten, zoals de Keizerlijke Villa in Kyoto. Maar elke volgende keizer veranderde het weer, voegde er weer wat aan toe volgens zijn inzichten, om zijn stempel erop te drukken, zodat het een collectie van episodes zonder rode draad is geworden. Van de ene kant ziet het er heel anders uit dan van een andere kant, je ziet telkens een heel ander paleis.

“De Shintotempel is een ander voorbeeld. Dat is ook een illusie, je wil het hart zien, maar je ziet het niet, het is camouflage. Het is sensueel, het is als een schaakbord zonder heldere spelregels, je komt uit in een leegte. Is het architectuur? Niet op de westerse manier, het confronteert niet, het inspireert niet, het belichaamt in materiële zin niet iets dat je eigen, persoonlijke leven overtreft, het is ook niet eeuwig. Materiële entiteit is in Japan niet zo belangrijk.”

U zegt ergens dat steden tegenwoordig te vergelijken zijn met nieuwsmedia. Het is stellig een verklaring voor de hoge omloopsnelheid van de gebouwen, maar niet voor de lelijkheid. Is wat veel westerlingen aan Japanse steden lelijk vinden mischien de principeloosheid, de onverschilligheid in Japan?

“In het Westen bestaan sterke morele principes, bestaan principiële mensen, leven mensen van principes. Japanners kennen dat niet. Toch kunnen Japanners hele mooie dingen maken.”

Is dat geen merkwaardig contrast?

“Ik ben het niet met u oneens. Maar tussen alle lelijkheid zie je echte innovatie, echte uitdaging, die ik nergens anders heb gezien. Lelijk associeer ik met zelfvoldaanheid. Mooi associeer ik met Artpolis in de provincie Kumamoto. Dit grote bouwproject is heel anders van opzet dan de projecten uit de jaren twintig in Europa, daar stond alles vast, paste alles in een concept. Het stond niet van begin af aan vast hoe Artpolis zou aflopen. Het project is ook niet per se gebonden aan deze provincie, gouverneur Hosokawa steunde het en daardoor kwam het daar, heel verspreid, van de grond, maar het kan zich uitbreiden naar andere provincies. De verschillende onderdelen hebben ook weinig met elkaar te maken, behalve dan dat dezelfde gouverneur ze steunde.”

Is Artpolis zo mooi omdat er onafhankelijke architecten bij zijn betrokken?

“Het grote verschil met commerciële mega-projecten is de manier waarop er aan dit project is begonnen. In Kumamoto is geen masterplan. De gebouwen fungeren hier als katalysatoren. En de selectie van de architecten was heel goed.”

Is Artpolis nog Japans te noemen?

“Ik geloof van wel. Volgens mij is deze benadering niet mogelijk in Amerika en Europa. De regels, de procedures, de condities zijn in Japan veel losser, minder gedefinieerd dan in het Westen. Daarbij komt het gebrek aan traditie in stedelijke planning in Japan. Ze geloven niet in principes, zij voelen de situatie aan en handelen naar de omstandigheden. Ik wil niet zeggen dat het niet verandert, het verandert inderdaad. Artpolis bewijst het.”

Is in de Japanse architectuur "de toekomst nu'?

“Ik geef toe dat er iets journalistieks steekt in die uitspraak, maar ik zou het niet geschreven hebben als ik er niet in geloofde.”

    • Paul Friese