Onschuldige eigenaren draaien op voor bodemsanering

De recente berichten in deze krant over de behandeling in de Eerste Kamer van het voorstel van minister Alders voor de zogeheten inbouwwet in de Wet Bodembescherming gingen met name over de uitspraken van de Hoge Raad over het relativiteitsvereiste: alleen voor bodemverontreiniging veroorzaakt vanaf januari 1975 kan de overheid saneringskosten verhalen op de onrechtmatige veroorzaker. In het wetsvoorstel is het relativiteitsvereiste geschrapt. De Eerste Kamer heeft daartegen uitvoerig gefulmineerd, omdat daarmee de "onschuldige' veroorzaker onredelijk wordt getroffen. Ministers Alders heeft de Eerste Kamer daarmee met succes op een dwaalspoor gebracht.

Het belangrijkste onderdeel van het wetsvoorstel is immers niet het schrappen van de grens van 1 januari 1975, maar de invoering van het provinciaal saneringsbevel. Daarmee kan de provincie niet alleen de veroorzaker, maar ook de eigenaar of erfpachter van ernstig verontreinigde grond dwingen die grond te saneren. Daarmee krijgt niet alleen de "onschuldige' veroorzaker van voor januari 1975, maar ook de eigenaar of erfpachter die met het ontstaan van de verontreiniging niets te maken heeft, de rekening gepresenteerd van de sanering. Die eigenaar of erfpachter kan alleen aan zo'n saneringsbevel ontkomen indien hij:

1. gedurende de periode waarin de verontreiniging is veroorzaakt geen duurzame rechtsbestrekking heeft gehad met de veroorzaker of veroorzakers, én

2. geen directe of indirecte betrokkenheid heeft gehad bij de veroorzaking van de verontreiniging, én

3. op het moment van de verkrijging van het grondgebied niet op de hoogte was dan wel redelijkerwijs niet op de hoogte had kunnen zijn van de verontreiniging.

De eigenaar of erfpachter moet zelf aantonen dat hij aan alle vereisten voldoet. Omdat deze in het wetsvoorstel onduidelijk zijn geformuleerd, zal dat voor veel discussie zorgen. Het door de Hoge Raad aangegeven tijdstip van 1 januari 1975 betekent waarschijnlijk dat eigenaren en erfpachters die de grond ná die datum verkregen, gelet op het derde vereiste, zelden aan een saneringsbevel kunnen ontkomen.

De bedoeling van minister Alders is duidelijk: de kosten van bodemsanering (ca. 50 miljard gulden!) zullen niet meer door de overheid worden voorgefinancierd en vervolgens verhaald op de onrechtmatige veroorzaker. Dat levert immers na de uitspraken van de Hoge Raad (geen verhaal voor verontreiniging veroorzaakt vóór 1975) nauwelijks nog iets op.

Met het saneringsbevel legt de overheid de saneringskosten neer bij diegenen die volgens Alders economisch belang hebben bij de grond: eigenaren en erfpachters. Ook de eigenaar en erfpachter die de verontreiniging niet hebben veroorzaakt gaan voor de bijl. In de Nadere Memorie van Antwoord bij het wetsvoorstel heeft Minister Alders duidelijk laten blijken waarom hij zoveel waarde hecht aan het saneringsbevel: het uitblijven van die regeling zou leiden tot een "verlamming' van de vrijwillige BSB (bodemsanering bedrijfsterreinen)-operatie.

Voor wie twijfelt aan de ernst van dit voorstel van Alders (waarover de Eerste Kamer dus heeft gezwegen!) is het nuttig de bodemsaneringsprogramma's 1994 van de verschillende provincies eens door te lezen. Zonder uitzondering blijkt daar uit, dat de provincies inderdaad van plan zijn voortaan te kiezen uit twee benaderingen: vrijwillige sanering door de eigenaar of erfpachter (het BSB-traject), of de door het saneringsbevel afgedwongen sanering. Saillant detail daarbij is dat de Provincie het niet hoeft te laten aankomen op zelf doen en kostenverhaal achteraf; zij kan ook hoge dwangsommen opleggen voor elke dag dat niet aan een saneringsbevel wordt voldaan.

De Eerste Kamer heeft zich wel tegen het schrappen van het relaltiviteitsvereiste verzet, en daarbij benadrukt hoe onredelijk de "onschuldige' veroorzaker wordt behandeld, maar heeft het saneringsbevel ongemoeid gelaten. Dat is merkwaardig, omdat het saneringsbevel voor de onschuldige eigenaar immers nóg onredelijker is dan voor de onschuldige veroorzaker. Daaruit kunnen twee conclusies worden getrokken: de Eerste Kamer heeft de splinter gezien, maar niet de balk; én minister Alders is er in geslaagd dat de Eerste Kamer zich druk maakt over de splinter, en de balk spaart.

De Tweede Kamer zal van de haar onverhoeds in de schoot gevallen gelegenheid dit onderdeel van het wetsvoorstel te corrigeren geen gebruik maken; dat is nu al gebleken. De Eerste Kamer krijgt echter een tweede kans de werking van het saneringsbevel tot het redelijke te beperken. De tijd zal leren of die kans wordt gegrepen.

    • M.J. Faro
    • Gespecialiseerd in Bodemverontreinigingszaken