Nooit meer weg uit dit gelige licht; Debuut van een soezende dichter

Serge van Duijnhoven: Het paleis van de slaap. Uitg. Prometheus, 64 blz. Prijs ƒ 29,90.

Het tijdschrift De XXIe Eeuw is na een paar nummers al weer opgeheven, maar dat betekent niet dat we nu maar op eigen kracht de volgende eeuw moeten zien te halen. De opvolger heet MillenniuM, een uitgave van de stichting Kunstgroep Lage Landen. Tijdschrift en kunstgroep hebben zich voorgenomen de balans op te maken van ”een aantal verworvenheden en ontwikkelingen, uit de voorgaande decennia maar ook uit de millennia die achter ons liggen', zo viel te lezen in een ”Verantwoording' in het nulnummer. De inzet is hoog en de formuleringen zijn vaag, maar tegelijk wordt dit streven genoeg gerelativeerd om het als groep een tijdje uit te kunnen houden, bijvoorbeeld tot het eind van de eeuw. Veel langer hoeft ook niet, want de Millennaristen hebben nu al besloten om zich medio 2000 weer op te heffen, want ”nieuwe generaties blijven niet nieuw'.

Een van de drijvende krachten achter deze onderneming is Serge van Duijnhoven (geb. 1970), behalve organisator ook student, journalist en dichter. Hij debuteert nu met Het paleis van de slaap, een thematische bundel waarin slaap, droom en nachtleven min of meer systematisch verkend willen worden. Tweeëndertig gedichten, waaronder elf reeksen, telt de bundel. Bij elkaar moeten ze een paleis vormen, met kamers en zijkamers. Volgens de flaptekst kan de werking ervan vergeleken worden met die van ”een hypnoticum', een slaapmiddel - wat een vreemde aanbeveling is voor het debuut van een jonge dichter. We vinden hier nachtuilen, hypnagogen, dagblinden, droombeelden en veel nachtkroegen en slaapkamers. Ze worden gesecondeerd door een stoet van slaapmotto's, van onder anderen Nabokov en Faulkner, Pernath en Verhelst, Proust en Picabia, zodat alleen daarin al heel wat cultuurgoed uit de afgelopen eeuwen bewaard is gebleven. Men kan er intussen nog alle kanten mee op: slaap maakt het leven draaglijk, zegt Perm Sequeros, maar Henry David Thoreau weet in weer een ander motto dat nu juist wakker zijn het ware leven is en dat we moeten leren ”te ontwaken en onszelf wakker te houden'.

De dichter zelf is meer van het soezende type. Hij kijkt niet vol verwachting uit naar de nieuwe tijd, maar hij ziet licht vermoeid om naar wat er nog rest van ”deze rusteloze eeuw'. Het paleis van de slaap is een wat slome en futloze bundel, maar het verrassende is dat hij dat ook wil zijn. De sfeer is die van de moderne, neo-nostalgische bierreclame: in gefilterd licht zijgt de barman na sluitingstijd moe maar voldaan neer bij zijn privébeugel Grolsch; de deurwaarder heeft de zolderetage leeggehaald, maar de twee jongens en het meisje hebben aan hun vier halve liters Heineken genoeg om de dag zinvol door te komen, op de kale houten vloer, in hetzelfde gefilterde licht. Wat er in hun hoofden omgaat is moeilijk te zeggen. Zo gaat het ook in ”Bistro de nuit', dat wel opgevat mag worden als het programmavers van de Millennaristen. Buiten is het donker, de kelner is begonnen de boel op te ruimen en de bistrogasten zitten nog wat na: ”Langzaam kruimelen we onze / croques, spoelen onze monden / blijven zitten, wachten / op het einde van het millennium'. En zo zou het altijd moeten blijven: ”Uit dit zachte, gelige licht / willen we nooit meer weg'.

Droevige liefde op zolderkamers en woonboten, leegte en lichte weemoed in de grote stad: van dat fin de siècle gevoel is Van Duinhovens debuut doortrokken. Af en toe lijkt er nog wel een postpuberaal oprispinkje door te breken, zoals in ”Wedijver der private organismen' (mooie titel), waarin de zoon zijn moeder sarcastisch toevoegt: ”Het mondje van je verwaten prins / sabbelt aan de tepels van / een ander, mama!', Maar ook deze zoon is toch vooral wachtende, met ”stroperig bloed' en ”slaperige ogen' en in de wetenschap dat hem de erfenis al is beloofd. Een ander gedicht besluit met deze woorden, tussen haakjes: ”en een vreemd gevoel van oppervlakkigheid'. Eén schrale troost is er, uitgesproken door Herbert Gold in een motto: dat jeugd een ziekte is die door de tijd onherroepelijk wordt genezen.

De gedichten van Van Duijnhoven zijn, in overeenstemming met hun futloze inhoud, weinig pregnant: vormeloos, opsommend, prozaïsch nogal eens, zonder interpunctie en zonder afronding. Het meest opmerkelijke aan zijn bundel is het nieuwe leesteken .-., dat vermoedelijk de functie van beletselteken heeft: het geeft aan dat veel van zijn gedichten genomen zijn uit een stroom gedachten en invallen. In zijn formuleringen neigt hij nogal eens naar het romantische cliché (”jij zou sterren strooien', ”de sterren zijn als slaap in je ogen') en vaag-dichterlijke pathetiek (”we lagen op het kleed van oorlog'). Met zijn Franse inslag (namen als Didier, Claudy, Claire, Remi, Sylvien, Serge) en zijn voorkeur voor de zelfkant-maar-met-stijl (”cognac in grote bierglazen') heeft hij ook wel iets van een chansonnier, zwervend door de nacht.

In zijn korte portretten en scènes is Van Duijnhoven op zijn best: wrang, aandacht voor het schrijnende detail, met geestige tussenzinnen. We zien ene Martinus die op de markt rondstruint en de lucht van ”IJsselmeer aal, makreel en / olijf, de geur van rauwe / vis' razendsnel sublimeert tot ”de geur van zee, de geur / van vrouwenlijf'. Ene Vaes bezoekt elke dag met zijn winkelwagentje de vuilnisberg, op zoek naar ”nog niet bedorven resten / van huiselijk attest'. Een oudere vrouw die zich niet bij haar ouderdom neer kan leggen is elke avond druk doende zich te ”ontgeuren' en ”van haar hond parfumeert / ze zelfs de wratten'.

En zo wekt dit debuut van een jonge dichter vreemd genoeg de indruk geschreven te zijn door een vroegoude geest, met een hang naar visnettenlyriek uit de jaren vijftig en zestig en een licht decadente voorkeur voor weemoed en verval. Misschien is Van Duijnhoven zich wat al te bewust van de leeftijd van zijn eeuw en zal hij zich pas na de millenniumwende werkelijk bevrijd kunnen voelen - om er dan, zo rond het jaar 2002, alsnog als een jonge hond tegenaan te gaan.

    • Guus Middag