Melk en marmer en de heerlijke geur van bijenwas; De betere wereld van Wolfgang Laib

Wolfgang Laib ziet eruit als een Tibetaanse monnik en woont met vrouw en kind in een dorpje in Zuid-Duitsland, waar hij in de bossen stuifmeel verzamelt. Geeft hij uitdrukking aan een achterhaald, negentiende-eeuws idee van het kunstenaarschap?

Wolfgang Laib. De Pont, Wilhelminapark 1, Tilburg. T/m 6 7 febr. 1994. Di t/m zo 11-17u.

Het verzamelen van twee jampotten met stuifmeel van de denneboom neemt ongeveer vier weken in beslag, het verzamelen van twee potten met stuifmeel van de paardebloem ongeveer zes. Dit zijn natuurlijk maar gemiddelden, want de weersomstandigheden zijn van grote invloed. Het stuifmeel gaat lang mee; de eerste potjes uit 1977 kan Wolfgang Laib nog steeds gebruiken. Het poeder heeft niets aan kleur - van de denneboom lichtgeel, van de paardebloem diep oranjegeel - en geur - ziltig prikkelend, en, vreemd genoeg, scherp kaasachtig - ingeboet. Laib strooit het uit in een vierkant op de vloer, of maakt er hoopjes van die hij "Onbeklimbare Bergen' noemt.

Laib (43) voltooide in 1974 zijn medicijnenstudie en vestigde zich daarna, voor zover je dat zo noemen kunt, onverwijld als beeldend kunstenaar. In 1975 vervaardigde hij zijn eerste "Melkstenen'. Hierop volgden Stuifmeelwerken, Rijsthuizen, Rijstmaaltijden en Bijenwasruimten. Laib woont met vrouw en kind aan de rand van een dorpje in Zuid-Duitsland. Daar, in de directe omgeving van zijn huis, dwaalt hij van het vroege voorjaar tot de herfst door uitgestrekte beukebossen en over glooiende weilanden op zoek naar "Blütenstaub' van allerlei aard.

Laibs werk zag ik voor het eerst op de Documenta in 1982. In een klein zaaltje had hij op de grond zijn witmarmeren huisjes neergezet, niet meer dan ongeveer 20 centimeter hoog en 20 centimeter breed, de lengte varieert. Tegen sommige lagen bergjes rijst aan. Het was de stilste plek van de hele Documenta. De huisjes hadden een enorme uitstraling. Het was gemakkelijk om je voor te stellen dat je er naar binnen zou kunnen gaan. Dit waren huizen in de diepste betekenis van het woord: beschutting en geborgenheid en afwezigheid van gebrek.

Bij mijn bezoek aan zijn expositie bij De Pont in Tilburg bekropen me toch twijfels. Op de Documenta ontleenden de huisjes een deel van hun effect aan het contrast met de lawaaierigheid van de rest van de tentoonstelling. De expositieruimten van de Pont zijn van zichzelf al zo stil en leeg en bedachtzaam. Laib heeft zijn tentoonstelling perfect ingericht. Is het allemaal niet iets te onwerkelijk? Dat streven naar ascese en zuiverheid, het teruggetrokken bestaan in de natuur, het meditatieve karakter van de herhaling van steeds dezelfde handeling. En is dit werk geen uitdrukking van een achterhaald, negentiende-eeuws, romantisch idee van kunstenaarschap, waarbij de kunstenaar zich onttrekt aan het gewoel van het maatschappelijk leven en middels een geïnspireerd schouwen tot inzicht in de Waarheid komt? Wat moeten we trouwens nog met begrippen als zuiverheid en uitstraling; dat zijn toch clichés?

Religieus

Een ontmoeting met Laib maakt het er aanvankelijk niet gemakkelijker op. Hij ziet eruit als een Tibetaanse monnik, mager, met kort geschoren haar en een rond brilletje, gekleed in een witlinnen loshangend hemd. Voor Laib bestaat er geen onderscheid tussen leven en kunst. Sterker nog, hij wil dat zijn leven als kunstenaar een voorbeeldfunctie heeft. Het woord "uitstraling' vindt hij heel goed, dat is nu juist wat hij beoogt. Natuurlijk, het is een uitgesleten begrip, net als "zuiverheid' en "religie', maar dat belet hem niet te proberen hun oorspronkelijke betekenis te hervinden. Zijn werk beschouwt hij inderdaad als religieus. Daarmee bedoelt hij dat hij de materialistische cultuur wil veranderen, dáárom is hij beeldend kunstenaar. Hij weet wel dat dat onmogelijk is, maar ook al is het onmogelijk, het is tenminste een begin. Dat velen dit naïef vinden, maakt hem niet uit. Hij zegt dit alles op vriendelijke doch besliste toon.

Opnieuw treffen de werken van Laib door hun grote schoonheid en de bijna onaardse rust die er vanuit gaat. In een zaal staan, direct op de vloer zoals al het werk van Laib, objecten die je als prototypen van architectuur zou kunnen beschouwen. Van goudgele bijenwas kneedde hij een soort bordes van drie treden en een trapgevel met afgeronde hoeken. Ook staan hier witte Rijsthuizen, en een vierkant bouwsel met puntdak, beschilderd met rode zegellak, en negen 17 centimeter hoge glanzende kegels van messing: "De rijstmaaltijden voor de 9 Planeten'. In een volgende zaal ligt een etherische "Melksteen'. Dit is een witmarmeren plaat die heel licht is uitgehold en dagelijks opnieuw gevuld wordt met melk, soms vaker, wanneer er teveel stofjes in gevallen zijn. Melk en marmer lijken een verbintenis aan te gaan, waardoor het marmer gewichtsloos en peilloos diep wordt.

Ruimte

Laib spreekt in een interview over de moskeeën van Perzië, Afghanistan en Pakistan. “Dat zijn lege ruimten, waar een volheid van uitgaat die ik tot dan toe niet kende. Ruimten die niet opgevuld zijn met overbodige rommel, een gevoel voor ruimte, vooral voor de vloer, dat in de Europese kunst helemaal niet bestaat.” Het is waar, het gevoel voor ruimte en voor de vloer is opvallend. Het dwingt tot een ander perspectief, dat van het kind dat op de grond ligt en de blik parallel langs de vloer laat gaan: zó worden bergen onbeklimbaar, en speelgoedhuisjes tempels.

Indien kunstwerken symbolische uitdrukkingen zijn, omdat ze de belichaming zijn van hun betekenis, zoals Arthur Danto heeft uiteengezet, dan geldt dat in bijzondere mate voor het werk van Laib. Belichaming is hier letterlijk te nemen, omdat het materiaal van zichzelf al betekenis draagt, een archetypische betekenis die door iedereen is na te voelen. (Alleen moet hier in het geval van de stuifmeelwerken wellicht een uitzondering gemaakt worden voor hooikoortspatiënten.) Dat maakt het bekijken of ondergaan, van zo'n werk ook tot een sensuele ervaring. Het hok waarin Laib voor de tentoonstelling een paar huizen bouwde, en de gang bekleed met platen was die hij al eerder voor De Pont maakte, zijn gevuld met de heerlijke geur van bijenwas. De rij van 38 koperen borden, gevuld met rijst en één gevuld met stuifmeel van de hazelnoteboom, staat als een sieraad op de vloer. Zonder sentimentaliteit of moralistische drammerigheid dwingen al deze voorwerpen eerbied af voor elementaire dingen als voedsel en het voortbestaan van leven. Laib heeft gelijk. Dit alles is misschien onwerkelijk, onrealistisch, maar wat maakt het uit? Eeuwenlang toverden schilders en beeldhouwers ons betere, mooiere werelden voor. Dat is precies wat ook Laib doet.