Lloyd's ruïneerde 17.000 names

Duizenden Britten zijn financieel geruineerd door de kolossale verliezen van het verzekeringsconglomeraat Lloyd's, een Engels instituut bij uitstek. Deze names stonden met hun vermogen persoonlijk garant. De meeste slachtoffers dragen hun verlies met een stiff upperlip, want Lloyd's was fun.

Lord Alexander of Tunis deed het. De tennisster Virginia Wade deed het. De bokser Henry Cooper deed het, de actrice Susan Hampshire deed het en een massa grandees van de Tory Party deed het, onder wie een aantal leden van John Major's kabinet.

Lord Alexander of Tunis verloor zwaar en zit nu in een actiegroep. Virginia Wade en Susan Hampshire leden kolossale verliezen, maar willen niet zeggen hoeveel. Henry Cooper moest zijn gouden kampioensketens verkopen om zijn inkomen aan te vullen. Een deel van de Tory grandees had graag in het parlement belastingconcessies voor benadeelde deelnemers geregeld, maar zag daar na publieke verontwaardiging vanaf. Allen zijn ten val geraakt door hun vertrouwen te stellen in één van die veel bezongen, echt Engelse, traditionele instituten waar de chique en de soliditeit gelijkelijk vanaf plachten te stralen: het verzekeringsconglomeraat Lloyd's.

Vier jaar geleden had Lloyd's nog 33.000 names, individuen die met hun vermogen persoonlijk garant stonden voor de dekking van verzekeringsrisico's. De meesten van hen, outsiders in de markt, traden toe om het cachet. Het oude geld ontleende altijd al status aan het lidmaatschap van Lloyd's: vaders introduceerden hun zoons als betrof het het lidmaatschap van een van de talrijke gentlemen's clubs in Londen. De nouveaux riches ontdekten Lloyd's op de top van de economische boom aan het eind van de jaren tachtig. Zoals ze met hun speculatief verworven rijkdommen een buitenhuis kochten om de landedelman uit te hangen, zo lieten ze zich bij Lloyd's introduceren door agents die voor elke nieuw aangebrachte name een aardige commissie opstreken. Een bedrag van 100.000 pond aan liquide middelen was genoeg om door de financiële ballotage te komen: de rest leek kinderspel. Het lidmaatschap van Lloyd's stond te boek als een vrijwel risicoloos avontuur: belastingvoordeel maakte dat het geïnvesteerde geld twee keer voor je werkte en spreiding van de risico over verschillende underwriters-syndicaten maakte dat verlies en winst elkaar in de slechtste jaren in evenwicht hielden.

Maar het tij is gekeerd. Van de 33.000 leden in 1989 zijn er nog een magere 19.000 over. Cumulatieve verliezen over de jaren 1988-1991, elke keer pas drie jaar na beëindiging van het kalenderjaar berekend, betekenen dat tussen de 5000 en 10.000 Lloyd's names volledig geruïneerd zijn. Het is niet voldoende dat ze zich hebben teruggetrokken uit de markt: zij - en na hun dood: hun erfgenamen- blijven "tot de laatste boordeknoop' garant voor de dekking van de risico's waarop ze middels hun syndicaten hebben ingeschreven. Lloyd's stelt ze, overeenkomstig de aangegane verplichting, aansprakelijk voor de som van tot nu toe vijf miljard pond Sterling gezamenlijk.

Het gevolg van de verliezen is dramatisch. Zo'n 17.000 names hebben zich inmiddels aangesloten bij een van de talrijke actiegroepen, die op hun beurt Lloyd's aansprakelijk stellen voor de geleden verliezen. Het verwijt is dat het bestuur niet voldoende toezicht heeft gehouden op de manier waarop sommige syndicaten zaken deden. Underwriters zouden onaanvaardbare risico's te laag hebben verzekerd en working names - leden die in de verzekeringsmarkt werkzaam zijn- zouden elkaar de bal hebben toegespeeld door zelf alleen in te schrijven op lucratieve zaken en leden-buitenstaanders op te zadelen met de riskantste polissen.

Pag.12: Veel claims zullen pas na dood gedupeerden worden afgewikkeld

David Tiplady behartigt de belangen van zo'n 5000 names uit binnen- en buitenland die verliezen hebben geleden van enkele tienduizenden ponden- tot miljoenen elk. De bebrilde, blozende jurist werkt voor een prestigieuze advocatenfirma in de Londense City en vliegt de hele wereld over om met gedupeerden te consulteren. Desondanks is hij niet zo gehard dat hij zich ervoor schaamt toe te geven dat hij zich soms minder advocaat en vaker sociaal werker voelt.

“Er zitten uiterst tragische gevallen onder: ik heb veel tijd nodig om juist hen te adviseren. Twee of drie cliënten hebben ondertussen zelfmoord gepleegd, onder wie een vriend met wie ik dagelijks contact had. Zijn dood heeft me diep geschokt. Eén van mijn cliënten is een jonge weduwe met drie kinderen, waarvan er één gehandicapt is. Haar man was beroepsmilitair. Hij is vermoord in Noord-Ierland. Met de uitkering die ze na zijn overlijden kreeg, heeft ze zich ingekocht in Lloyd's, als een soort pensioen. Nu kan ze haar kind niet naar de speciale school sturen, die het nodig heeft en ze staat op het punt ook haar huis te verliezen. Aan dergelijke gevallen besteed ik veel tijd, al probeer ik ook mijn professionele distantie te handhaven. Met anderen heb ik geen enkel medelijden. Die zijn puur graaierig geweest en dat weten ze zelf ook.”

De sollicitor is noodgedwongen hard in zijn oordeel over sommige van de actiegroepen die hij geweigerd heeft te vertegenwoordigen.

“Het feit dat een zakelijke onderneming fout is afgelopen, is op zichzelf geen reden om een proces aan te spannen.” Hij houdt zich vooral bezig met de slachtoffers van long tail problems: jargon voor verzekeringsrisico's met een lange staart, zoals de aansprakelijkheid voor asbestosis.

“Een heleboel gedupeerden begrijpen niet dat ze al lang dood zullen zijn, vóór het jaar waarin die risico's betaald moeten worden, financiëel kan worden afgesloten. Dat betekent dat nalatenschappen niet verdeeld zullen kunnen worden vóór de claims betaald zijn. De erfgenamen krijgen niets. Over zo'n jaar of tien zal Engeland opgescheept zitten met tienduizenden huizen en landerijen, die daar ongebruikt en onbewerkt zullen liggen, omdat niemand er iets mee kan doen. Of ze zullen moeten worden geëxploiteerd uit naam van Lloyd's, waarbij de executeur-testamentair ervoor moet zorgen dat elke winst niet aan de erfgenamen maar aan Lloyd's wordt uitbetaald.”

De paniek onder oud en nieuw rijk slaat nu al merkbaar om zich heen. De markt in landhuizen is levendig in een situatie waarin onroerend goed nog steeds mondjesmaat van eigenaar verwisselt. De grote veilinghuizen, Sotheby en Christie's, profiteren van de financiële nood die bezitters van kunstschatten dwingt hun zilver, hun schilderijen en hun meubelstukken te koop aan te bieden. Philip Hoffman van Christie's zegt dat hij per dag wel drie telefoontjes krijgt van names die hun kunstschatten getaxeerd willen zien, in de hoop dat ze als onderpand voor een lening van de bank kunnen dienen. Bezitters van grote huizen en veel land zijn op papier welgesteld, maar kunnen het baar geld vaak niet verschaffen. “De gesprekken gaan om kunstvoorwerpen met een totale geschatte waarde van 20 miljoen pond.”

Eén van zijn cliënten, wiens fortuin in 1989 nog werd getaxeerd op zes miljoen pond heeft “eerst drie miljoen verlies geleden bij het instorten van de onroerend goed-markt en nu nog eens twee miljoen pond over de laatste vier jaren bij Lloyd's.” De klant was verzamelaar van impressionistische schilderijen en oude meesters: die zijn allemaal verkocht. Naar verwacht volgt de bibliotheek van een miljoen delen en dan de verdere inboedel. Wie een tweede huis heeft, verkoopt dat. Wie nog overbodige titels heeft liggen, biedt die ter veiling aan bij het venduhuis Manorial Auctioneers, dat twee keer per jaar “Lords of the Manor”-titels verkoopt aan voornamelijk op cachet-beluste buitenlanders.

Er zijn gradaties van verlies. Names die denken het nog net te kunnen uitzingen zonder hun huis te hoeven verkopen, zoeken naar andere middelen om zich extra inkomen te verschaffen. De Engelsman Andrew Grieve heeft slim op die behoefte ingehaakt door onder sjieke, maar verarmde leden van Lloyd's te werven voor upmarket bed-and-breakfast-gelegenheden. Zijn bedrijf, Discover Britain heeft nu 250 adressen, variërend van kleine landhuizen tot gigantische bouwvallen als Hammerwood Park in East-Sussex, waar tegen betaling van 50 pond per persoon per nacht gasten-van-stand kunnen slapen en ontbijten. Volgens Grieve slaat het idee vooral aan bij "Australiërs die nog nooit van hun leven zoiets gezien hebben' en bij "lichtelijk snobistische Hollandse huisvrouwen' die nu eindelijk eens de kans hebben "kennis te maken met de meer welgestelden onder de Britten en een nacht door te brengen in de vooraanstaande huizen in dit land'.

Michael MacKinlay MacLeod woont in een vicarage met zeven slaapkamers in een liefelijk dorpje , Overbury, in Worcestershire. Hij is al vijftien jaar lid van Lloyd's en in de huidige omstandigheden ziet hij er bepaald naar uit zijn cashflow te kunnen aanvullen door buitenlandse gasten aan zijn tafel te noden.

“De gevoelens waren altijd al dat er extra capaciteit zou ontstaan, wanneer de kinderen eenmaal naar Londen waren getrokken,” zegt hij in het jargon van de ervaren financier. “De inkomenssituatie is niet zo rooskleurig als ooit wel eens gehoopt was en de twee laten zich dus goed combineren.”

Jane Jenner-Fust, van echte adel, gebruikt Hill Court, een huis van twee miljoen pond met achttien kamers in het dal van de Severn, noodgedwongen als gasthuis. Haar echtgenoot overleed in 1991, de recessie en verliezen bij Lloyd's zijn rampzalig geweest, ze heeft drie kinderen op kostschool, het huis heeft een nieuw dak nodig en de kinderen hechten aan jagen en polo spelen. Voor hen staan twee bed-and-breakfast-gasten gelijk aan één nieuwe polo-hat, voor haar betekent het dat ze misschien net het huis, waarin de familie sinds begin 17e eeuw gewoond heeft, niet hoeft te verkopen. Als er geen (betalende) gasten zijn voor het diner eet de familie spaghetti bolognaise. Als ze er wel zijn, nodigt de gastvrouw ook haar eigen vrienden uit en doet alsof die het zijn die niet eerder ontmoete kennissen hebben meegebracht.

“Het enige waar je op moet letten is dat jouw vrienden de anderen niet anders behandelen, alleen omdat ze weten dat die voor het eten hebben moeten betalen.”

In het kantoor van David Tiplady in Londen ontmoet ik Jasper Salisbury-Jones. Hij is een zestiger en met zijn gestreepte kostuum en lichtelijk gemanierieerde gebaren onmiskenbaar een Engelsman. Salisbury-Jones, van huis uit een bedrijfsjurist, besteedt bijna al zijn tijd aan het technisch voorbereiden van de gerechtelijke procedures die Tiplady voor hem en andere names tegen Lloyd's aanspant. “Ik ben goedkoper dan David, want ik declareer alleen kosten. Dat komt onze hele groep ten goede.”

Salisbury-Jones vertelt met grote zelfkennis en een fikse dosis zelfspot over de manier waarop hij tot Lloyd's toetrad: een stap waarover hij als jongetje al gedroomd had, na het zien van een film waarin de scheepsklok van de Lutine een belangrijke rol speelde. Deze klok wordt nog altijd bij Lloyd's geluid als zich ergens een (verzekerde) calamiteit heeft voorgedaan. Toen hij in 1978 de kans kreeg om voor gereduceerd tarief aan de markt deel te nemen, hapte hij graag toe. In 1981 verloor hij zijn baan. Met de "bescheiden afkoopsom' waarmee hij werd heengezonden, breidde hij zijn lidmaatschap uit.

“O, ik genoot ervan om erover te praten: dat ik lid van Lloyd's was. Ik maakte er een gewoonte van om regelmatig binnen te stappen en een praatje te maken met de managers van de syndicaten, waarvan ik deel uitmaakte. Als ik geluk had, liep het uit op samen lunchen. Het cachet dat dat gaf..”

De befaamde ontmoeting met de Rotacommissie in de monumentale Adam Room in het Lloyd'sgebouw, een ceremonie die voor elke nieuwe name wordt opgedist, herinnert hij zich nog goed naar vorm, maar nauwelijks naar inhoud.

“Er werd inderdaad iets gezegd over onbeperkte aansprakelijkheid, maar wat me het meest is bijgebleven is de aanbeveling dat je als outsider je vertrouwen moest stellen in je agent. Ze zeiden: "Hij is de expert. Als je hem niet vertrouwt, hoor je niet bij Lloyd's thuis.”

Door de jaren heen maakte hij kleine winsten. Het eerste jaar zond zijn agent hem een cheque, vergezeld van een excuusbriefje: jammer dat de winst zo klein is dit jaar. Het tweede jaar was de winst opnieuw gering. Salisbury-Jones schreef terug: “Zit er maar niet over in. Ik krijg tenminste nog steeds belasting terug.” Het derde jaar was er een klein verlies. Wat er daarna gebeurde was "buiten elke te verwachten proportie: ik moest een cheque uitschrijven van 25.000 pond omdat er 55 procent verlies was op één van mijn syndicaten.' Daarna ging het een aantal jaren goed, tot het rampjaar 1987: de eerste asbestosis-claims uit de Verenigde Staten. Salisbury-Jones zegt dat hij tot dit jaar al zijn verliezen betaald heeft, maar dat zijn kapitaal nu op is.

“Ik heb een beroep gedaan op het hardship committee (een door Lloyd's ingestelde commissie die met gedupeerde names de afwikkeling van hun schulden regelt) in de hoop dat ik tenminste iets mag houden om van rond te komen. Het huis staat godzijdank op naam van mijn vrouw.”

Salisbury-Jones is ervan overtuigd dat hij door zijn agent bedrogen is, op het moment dat de long tail risks zichtbaar werden. Hij herinneert zich nog goed een gesprek met zijn voormalige belangenbehartiger over voormalige schandalen bij Lloyd's, die - in het begin van de jaren tachtig - omwille van de reputatie van het instituut in de doofpot zijn gestopt.

“Ik zei: als jij me ooit zoiets zou leveren, dan zou ik iemand huren om je om zeep te brengen.” Daar hebben we toen nog hartelijk om gelachen. Nu zie ik hem als een dief van mijn portemonnee. Sommige agenten zouden moeten worden opgehangen voor de names die ze op de markt hebben geïntroduceerd en die nu met de gebakken peren zitten.Ik klaag niet en ik ga geen zelfmoord plegen. Ik besteed al mijn tijd aan het afdwingen van compensatie. De arrogantie en zelfgingenomenheid waarmee Lloyd's op deze hele affaire heeft gereageerd - "wij zijn de grootste verzekeringsinstantie ter wereld' - staat gelijk aan wandelen op water.”

“Hoe ik me achteraf voel? Ik wil niet ontkennen: Lloyd's wás fun! Ik voel me deel van een elite-regiment in vredestijd, de gekneusde - maar niet verslagen - overlevende na een befaamde veldslag. Een mens moet op iets trots zijn, uiteindelijk. I might as well milk it for excitement as far as I can.”

    • Hieke Jippes