Het Oedipusmoment van Harry Mulish; De schrijver, de utopie en de tragedie

Vorige week kwam hier de film Bad Lieutenant ter sprake, de film waarin een volslagen corrupte, aan alle denkbare dope verslaafde rechercheur in een door velen moeilijk te verteren scène werd gemanoeuvreerd. Hij verhoort een non die weigert haar verkrachters aan te geven. Zij zegt dat zij hen vergeven heeft, omdat zij mensen zijn. Deze weigering is tergend, maar het is een fait accompli. Het gaat om de rechercheur, wiens leven inmiddels volkomen kapot is; er zijn zelfs redenen om aan te nemen dat hij vermoord zal worden. En het verhaal, d.w.z.: de non, brengt hem door haar akt van vergeving in een tweestrijd. Er moet iets met hem gebeuren, voor hij eraan gaat.

Men hoeft geen verdoemde rechercheur te zijn om een leven te leiden waarin het wemelt van de scènes die maken dat er iets moet gebeuren. Er wordt een naakte Amerikaan over een zanderige weg gesleept aan een touw om zijn nek. Hij is dood. Toch wordt er vreselijk om hem gelachen; er wordt naar hem gespuugd. Hij verschijnt vlak na achten in de huiskamer. Toevallig zit er een jongen van negen naast me. Hij kijkt en ik zie dat zijn ogen steeds maar groter worden en zijn lippen dunner.

Weer moet er iets gebeuren. Ik weet dat de jongen me zal gaan vragen hoe het mogelijk is dat mensen een dode Amerikaan aan een touw rondsleuren en daarbij lachen. Er is, als ik de televisie snel uitzet, een scène begonnen; er moet iets gebeuren. De jongen verwacht een grondig antwoord van me, één dat het beeld ongedaan zal maken, en de wereld herstellen.

Deze rubriek heet scènes, en dat is omdat ik geloof dat het uiteindelijk allemaal draait om scènes waarin iets moet gebeuren, maar je weet niet wat en je weet niet hoe. Daarom heeft het naar mijn gevoel zin om naar bedachte, nagespeelde scènes te kijken, en ze proberen te begrijpen.

Het is niet zo dat de indrukwekkende scène uit Bad Lieutenant me een oplossing geeft. Ik weet nog steeds niet hoe ik de scène in de huiskamer af moet handelen. Maar het geeft enig soelaas te weten dat er filmmakers zijn (en schrijvers en toneelmakers) die drama's bedenken waarin hun personages tegenover elkaar uitsluitende krachten worden geplaatst. Tragische scènes, waarin het gaat om dilemma's waar eigenlijk geen uitweg uit mogelijk is. “We moeten in aanraking komen met het tragische, en ons erdoor laten raken,” zegt de schrijver John Berger in het boekje dat hij schreef over het Europa van na 1989. “We zouden er misschien door veranderen als we het benoemden.”

Een scène zien waarin iemand voor een dilemma staat houdt in: zelf voor het dilemma komen te staan, en ervaren dat er iets moet gebeuren. Dat is de "tragische ervaring', en die heeft altijd te maken met inleving, zonder dat er sprake is van een oplossing. Bedenkers van tragedies bedenken geen oplossingen - ze veroorzaken een ervaring van tragedie. En misschien veranderen we er door.

Spoken

Twee weken geleden hield Harry Mulisch zijn toespraak voor de Frankfurter Buchmesse, en alles in die toespraak werkte toe naar een scène die het op een bepaalde manier in zich had tragisch te worden. Mulisch maakte van zichzelf een personage: de schrijver. “Hoe moeten wij de heilige drijfjacht op de nationalistische, racistische en religieuze spoken van het negatieve soort voeren?” vroeg hij zich af. Door zich voor de verzamelde boekenwereld op te stellen was hij niet langer een schrijver, maar, voor de duur van de toespraak de schrijver.

Het bijzondere van Mulisch' vertoog zat hem in de formulering "spoken van het negatieve soort'. Hij werkt namelijk de gedachte uit dat de "spoken' waar hij het over heeft ook positief kunnen zijn. “Sommigen - onder wie ik - vreesden in 1989, dat nu ook het einde van de utopie is gekomen, - de utopie, in haar positieve vorm de droom van een betere wereld, het collectieve pendant van de individuele liefde, dat wil zeggen: van het mooiste in de mens.”

Volgens Mulisch is het zo dat iedereen die een metafysische wereld ontwerpt (omdat hij droomt van een niet bestaande, utopische wereld) in wezen een kunstenaar is, of hij nu schrijft, dan wel politiek bedrijft. Sterker nog: er is een verwantschap tussen het (literaire) verlangen van de schrijver die een Oedipus creëert en het negatieve metafysische verlangen van Hitler, die overal een joods wereldcomplot ziet.

Het is deze gedachte van een utopische verwantschap tegen wil en dank, die de toespraak in mijn ogen dramatisch maakt, het vertoog zou van Mulisch een personage kunnen maken dat, ten overstaan van anderen, zichzelf ten slotte in de richting van een dilemma stuwt: Zoals ik De ontdekking van de hemel ontworpen heb, zo ontwierpen zij hun droom van het zuivere Servië. Er is tussen hen en mij een overlap. “Literatuur grenst aan de religie en de ideologieën”, zegt hij. Alle metafysische creaties, zowel de positieve als de negatieve, de fascistische en de communistische, de fundamentalistische en de nationalistische hebben “op een overspannen manier de zijnswijze van literatuur”.

Iemand die al redenerend dit punt bereikt, is bezig de hoofdpersoon te worden van een tragedie-scène waarin hem, samen met zijn publiek, iets gruwelijks zou kunnen dagen: we kunnen onze tegenstanders nog zo haten - ergens zijn zij verwant aan ons. Mulisch nadert dat wat in de dramaturgie het Oedipusmoment heet: dat waarop het personage dat op zoek ging naar de oorzaak van pest in Thebe, moet gaan inzien dat hij zelf de oorzaak van de ellende is.

Karadzic

De vergelijking is te drastisch; geen schrijver is, door zijn metafysische verlangen, de oorzaak van de ellende in Serajevo, - maar waar het nu om gaat is dat de toespraak zich, als een tragedie, toespitst, en toewerkt naar een erkenningsscène: de spreker is verwant aan wat hij haat. Karadzic heeft de zijnswijze van de literatuur; de literatuur deelt een utopisch aartsbeginsel met de mensen die het gewelddadigste nationalisme aanhangen. Hier sta ik, lijkt het personage nu te zullen zeggen, ik kan mij niet langer onttrekken aan bijzonder moeilijk te verteren waarheid: ook degenen die ik, met een heilige drijfjacht, bestrijden wilde kenden hun utopisch ogenblik.

Uitgerekend hier komt Mulisch met een soort aap uit zijn mouw. Je houdt je adem in. Er staat iets op het spel. En hij zegt: “Misschien is het toegestaan hier mijzelf als een troostrijk voorbeeld te nemen.” En dan volgt de inmiddels veelgeciteerde passage waarin Mulisch de lof zingt van zijn eigen etnische onzuiverheid. Het is een vernuftig genealogisch spelletje met zijn Haarlemse, half-joodse, Vlaamse, Boheemse en Oostenrijkse afkomst. Ondanks al deze ingrediënten kan Mulisch één en ondeelbaar zijn, zegt hij trots, en als hij dat kan, “dan kan in beginsel ook een vreedzaam, tolerant, multi-etnisch Europa bestaan, als een nieuwe collectieve verbinding.”

Afgelopen maandag heeft Paul Scheffer in deze krant haarscherp uit de doeken gedaan hoe neutralistisch en dus: door en door Hollands deze troost is die Mulisch in de aanbieding heeft, en hoe a-politiek de toespraak daardoor is. En inderdaad, je vraagt je af waarom iemand, die het toch wil hebben over de houding die deze tijd van een schrijver vergt, zich als het er op aankomt verschuilt achter zoiets stupides als de mededeling dat hij "een chemisch mengsel' is. Tot wie spreekt hij eigenlijk nog, wanneer hij zegt dat als hij kan bestaan, ook de wereldvrede kan bestaan?

Het heeft bijna iets noodlottigs, deze wending in Mulisch' betoog. Hij houdt er een opvatting van utopisch denken op na die hem, zo lijkt het wel, als het er op aan komt dwingt tot virtuositeit en zelfs tot metafysische verzoeningsspelletjes, in plaats van tot zelfonderzoek. Uiteindelijk kun je op hem alleen maar "ja en amen' zeggen, omdat het domweg geen tegenpraak oproept. Terwijl het toch gaat, om nog een keer met John Berger te spreken om “waarheden waarvoor geen directe oplossing bestaat. Het woord "oplossing' raakt niet aan het tragische.”