Het klasje van prins Charles; Het nieuwe traditionalisme op het Prince of Wales's Institute of Architecture

Bouwkunst is bovenal een "art of making', vindt prins Charles, de voornaamste beschermheer van de traditionele architectuur. Om een nieuwe generatie architecten te doordringen van gevoel voor het ambachtelijke en respect voor het verleden, richtte hij het Prince of Wales's Institute op. Wordt hier inderdaad de architectuur van de 21ste eeuw gesmeed?

Voor vanochtend staat houtbewerken op het programma. Onwennig maar enthousiast staan tien studenten in de werkplaats te schaven, te zagen en te boren aan wat uiteindelijk een deur met panelen en profielen moet worden. Zij zijn de helft van de groep die onlangs een opleiding is begonnen aan het Prince of Wales's Institute of Architecture in Londen. De anderen zitten achter hun tekentafels en ontwerpen de deur van de directiesuite van een denkbeeldig groot bedrijf. De komende maanden zullen de studenten, die in leeftijd uiteenlopen van negentien tot veertig, kennismaken met nog meer kunstvormen en -vaardigheden: schilderen, tekenen, boetseren, fotograferen, maar ook het gebruik van computers. Want volgens Charles, Prince of Wales en beschermheer van de traditionele architectuur, is de bouwkunst bovenal een art of making.

In 1989 leverde Charles felle kritiek op de naoorlogse architectuur in een televisieprogramma van de BBC en in het boek A Vision of Britain: a Personal View of Architecture (1989). "De modieuze theorieën van de jaren vijftig en zestig, slaafs aangehangen door hen die "erbij' wilden horen, hebben vervormde monsters in het leven geroepen die onze stadjes en steden, onze dorpen en het platteland teisteren,' schreef hij. "Wij hebben allemaal schoonheid nodig. We moeten dan ook niet langer aarzelen om "esthetische' oordelen te vellen.'

Wil er werkelijk wat veranderen, dan moeten de architecten van de toekomst anders worden opgeleid, kondigde hij in het boek al aan. In 1990 en 1991 liet hij summer schools organiseren en vorig jaar om deze tijd ging het Prince of Wales's Institute of Architecture open. Hier moet de nieuwe generatie worden opgeleid in zijn geest, met gevoel voor het ambachtelijke, respect voor het verleden en oog voor wat "passend' (appropriate) is - het veelgehoorde sleutelwoord. In zijn openingstoespraak omschreef hij de doelstelling van het instituut als “het helpen smeden van een architectuur voor de 21ste eeuw.” De studenten zelf staat niets minder voor ogen.

Vorig jaar is voor het eerst een éénjarige foundation course gehouden, een algemeen oriëntatiejaar. Dergelijke introductie-cursussen zijn een gangbaar verschijnsel aan de Engelse kunstacademies, maar op het gebied van de architectuur is die van het Prince of Wales's Institute de enige. Deze maand zijn ook acht studenten begonnen aan een driejarige post-degree course (vergelijkbaar met de Nederlandse tweede fase) die door het Royal Institute of British Architects wordt erkend.

Een eerste-fase opleiding tot architect biedt het instituut dus niet. “Daarvoor zouden we gelieerd moeten zijn aan een universiteit,” verklaart directeur Brian Hanson. “Maar wij zijn erg op onze onafhankelijkheid gesteld.”

Taiwan

Volgens Hanson, van 1987 tot 1991 architectuursecretaris van de kroonprins (“ik was er niet om de meningen van de Prins te bepalen, die had hij zelf genoeg, maar om zijn ideeën in de praktijk te brengen”), wordt het instituut voor hooguit tien procent door Charles zelf gefinancierd en voor de rest door particulieren die anoniem willen blijven. Van de studenten - vorig jaar ruim dertig, nu ruim twintig - komt ruwweg de helft uit het buitenland, niet alleen andere Europese landen en Amerika maar ook Taiwan, Saoedi-Arabië, Rusland en India. EG-onderdanen betalen hetzelfde collegegeld als bij kunstacademies, 650 pond; voor studenten uit andere landen is dat 5000 pond. Dat heeft Bruce Decker (40) niet weerhouden: “Amerikaanse universiteiten zijn nog véél duurder! Het is geweldig om zo'n opleiding in Europa te volgen: je kunt hier de meetlat langs de geschiedenis leggen.” Behalve het collegegeld had Decker nog meer voor dit studiejaar over: thuis ligt zijn bedrijf stil en zijn vrouw en klein kind zijn achtergebleven.

Het instituut is gevestigd in twee zalmroze neo-classicistische villa's uit 1820 aan Regent's Park, vlak bij de befaamde London Zoo. In de ene waar de tekentafels en de werkplaatsen zijn ondergebracht, is de sfeer huiselijk en bedrijvig tegelijk. Decker is vanmorgen duidelijk in zijn element; met de kalme zelfverzekerdheid van een vakman geeft hij zijn medestudenten aanwijzingen over het gebruik van boormachine en verstekbak. Hij blijkt thuis in Rhode Island houtbewerker van beroep te zijn, met als specialisatie de trap in al zijn verschijningen. “De meeste opleidingen zijn zo theoretisch, maar hier doe je ook iets met je handen.”

De andere villa bevat kantoren, kantine, lezingenzaal en een kleine bibliotheek. De planken lijken de mentaliteit van het instituut te weerspiegelen: van alles iets nemen, maar met oude vertrouwde normen en waarden als uitgangspunt. Modernen als Saarinen, Lubetkin en Rogers zijn op de planken vertegenwoordigd, maar ze vormen een minderheid naast oude meesters als Ledoux, Piranesi, Schinkel en Boullée. Le Corbusiers manifest over zijn matenstelsel "Modulor' steekt dun af bij Our Vanishing Heritage, Ancient Monuments and Their Interpretation en het Dictionary of Ornament. Hier wordt de avantgarde van het verleden gekweekt.

Puist

Kort na het verschijnen van A Vision of Britain publiceerde Max Hutchinson, voorzitter van het Royal Institute of British Architects zijn weerwoord, The Prince of Wales: Right or Wrong? An Architect Replies. Het antwoord was, natuurlijk: wrong. De ideeën van de prins zijn volgens Hutchinson ingegeven door pessimisme en angst voor de toekomst, bovendien zou hij zich schuldig maken aan machtsmisbruik. Inderdaad heeft Charles zijn invloed aangewend om projecten tegen te houden, als eerste de geplande uitbreiding van de National Gallery die hij omschreef als een monstrous carbuncle, een monstrueuze puist, op het gezicht van een geliefde. Hutchinson bespeurt bij ambtenaren en ontwikkelaars de neiging om vooraf al rekening te houden met de koninklijke voor- en afkeuren.

Hoewel er vooral in vakkringen vaak schamper over Charles en zijn architectonische denkbeelden wordt gesproken, is er veel belangstelling voor zijn school: dit jaar zijn de ruim twintig studenten gekozen uit meer dan 150 aanmeldingen. Het instituut hanteert een strikt regime. Op de balie ligt een nauwkeurig bijgehouden presentielijst. Studenten worden geacht stipt aanwezig te zijn op alle lesuren, bovendien wordt hen sterk aangeraden de lezingen bij te wonen die vaak 's avonds in de boardroom worden gehouden. Vanavond bijvoorbeeld spreekt een deskundige uit Oxford over Byzantium, morgenochtend staat een lezing gepland van een Amerikaan over geïllustreerde Keltische manuscripten van omstreeks het jaar 700, en de ochtend daarop wordt gewijd aan perspectief.

“Het is zwaar, maar ik geniet van de intensiteit,” zegt Alastair Dick-Cleland (32). “Iedereen die hier zit, kiest bewust voor deze aanpak en wil alles eruit halen wat erin zit. Samen in een snelkookpan zitten geeft ook een gevoel van saamhorigheid.” Ondertussen schiet hij niet erg op met zijn ontwerp voor een deur, veel verder dan een patroon van sterren in verschillende houtsoorten is hij nog niet gekomen. “De afgelopen tien jaar heb ik in de detailhandel gewerkt. Ik heb helemaal geen artistieke achtergrond. Ik wilde eigenlijk altijd al architect worden, alleen heeft het me tien jaar gekost om de stap te zetten. Zelfs als het een debâcle wordt dan zal ik niet met de frustratie in mijn graf liggen dat ik het niet heb geprobeerd.”

Al voordat de vraag gesteld is haasten de studenten zich te verklaren dat ze heus niet alleen maar de klassieke ordes leren tekenen. “Je komt hier niet om een stijl te leren,” zegt Ralph Boom (25), een Nederlander die na zijn architectuuropleiding in België vorig jaar de foundation course deed en nu direct is doorgegaan met de post-degree course. “Het gaat om een mentaliteit, om een begrip van schaal, om respect voor je omgeving en voor tradities.”

De studenten hebben bewust gekozen voor de ambachtelijke benadering van het instituut, maar welk nut hebben twee ochtendjes timmeren voor de aankomende architect? Directeur Brian Hanson is stellig in zijn antwoord: “Je ziet architectuur óf als een theoretische, academische bezigheid, óf als een act of making. Wij zien architectuur als de verheffing van het werk van de maker. Eerst teken je, dan organiseer je dat hele complexe proces van construeren. In de loop van dat proces ontleen je het universele aan de details. Een deur op zichzelf is dus niet genoeg, de architect moet inzicht krijgen in de totstandkoming van die deur.”

Het probleem met architectuur en stedebouw nu, zegt Hanson - die er net zo over denkt als prins Charles - “is dat architecten even niet hebben opgelet en zijn gaan geloven dat ze er zijn om losse gebouwen te maken in plaats van steden. De meeste stadsplanners hebben ook geen enkele visuele training, ze zijn alleen bezig met de breedte van het wegdek en de toegang voor de brandweer.”

Byzantium

Lessen in het schilderen van acanthusbladeren, esoterische lezingen over roemrijke verledens als dat van Byzantium... Is het Prince of Wales's Institute of Architecture een ivoren toren? En het afstudeerproject van vorig jaar, een organisch vormgegeven houten gebouwtje van 37 vierkante meter in een groezelige Londense wijk - is dit nu de architectuur die Charles voor de 21ste eeuw wil smeden?

Het instituut mag zijn inspiratie uit het verleden putten, buiten de hedendaagse werkelijkheid staat het in ieder geval niet. Van meet af aan heeft Charles zich actief met de besluitvorming bemoeid bij gebouwen die hem na aan het hart liggen, zoals de National Gallery en St Paul's Cathedral. Zijn instituut wil de studenten niet alleen met concrete voorbeelden uit de praktijk laten werken, maar oefent daarbij ook daadwerkelijk invloed uit op de politieke besluitvorming. Deze eerbiedwaardige koninklijke instelling schroomt niet om zich zonodig als een actiecomité op te stellen.

Het spraakmakendste voorbeeld tot nu toe is Nine Elms. Al drie jaar was een aantal bewoners van boten die aan een betonnen steiger in de Thames lagen afgemeerd, bezig te voorkomen dat de pier, die zogenaamd bouwvallig was, zou worden afgebroken. Het instituut bracht alle partijen voor een gesprek bij elkaar: de booteigenaren, de politici, de eigenaar van de oevers, de havendienst, het gasbedrijf en ingenieursbureau Ove Arup. Brian Hanson: “Het bleek de eerste keer te zijn dat alle betrokkenen rond de tafel zaten! Binnen twee weken was de sloopvergunning ingetrokken. De pier was helemaal niet bouwvallig, de echte reden om hem te slopen was dat British Gas er een luxe flatcomplex wilde bouwen als belegging van pensioengelden.” Op het prikbord hangt, flink uitvergroot, een aandoenlijke bedankbrief van de bootbewoners.

Ratatouille

In de kelder begint het heel lekker te ruiken. De school heeft een eigen kok en in de kale kantine kunnen de studenten voor twee pond 's middags warm eten. Vandaag is er keuze tussen lamsragout en ratatouille. Maar nu concentreert de drukte zich rond het fotokopieerapparaat. De opdracht voor vanmiddag is om een collage te maken, een study sheet, met werk van de afgelopen week. De docente drukt iedereen op het hart dat het erom gaat een denkproces te laten zien en niet een gladgepolijst eindresultaat. Sommigen halen de dieren te voorschijn die ze deze week schetsten bij een bezoek aan de London Zoo, anderen verwerken foto's van gietijzeren ornamenten en sculpturen van de nabije begraafplaats.

Johnny Holland (32) staat te wachten met een armvol dikke boeken: Palladio, Classical Architecture: a Complete Handbook en een facsimile-uitgave van The Five Books of Architecture uit 1611. “Niet alles wat we hier tekenen hoeft zuilen en een tympaan te hebben, maar mij loopt het water hiervan in de mond,” bekent hij. Holland gelooft in een hedendaags neo-classicisme: “Het classicisme is door de eeuwen heen ontwikkeld. Willen we het levend houden, dan kunnen wij niet volstaan met een pastiche van dat wat al geweest is. Om iets van blijvende waarde te kunnen maken heb je een grondige kennis van het verleden nodig. Voor mij valt het modernisme op zijn gezicht met zijn "fris begin' en "breuk met het verleden'. Dat is eenvoudigweg niet mogelijk.”

Holland heeft hiervoor architectuurgeschiedenis gestudeerd en daarna een jaar gewerkt bij een fabrikant van verf die in de monumentenzorg wordt gebruikt, onder andere bij de restauratie van Windsor Castle. “Na de cocon van de universiteit had ik daar tijd om na te denken. Nu zit ik hier midden in een kolkende smeltkroes van leeftijden, geslachten, nationaliteiten, maar ook verschillende vaardigheden en interesses. Het is ongelooflijk spannend, het beste besluit dat ik ooit heb genomen.”

Over het effect van Charles' campagne op de praktijk schreef RIBA-voorzitter Max Hutchinson - overigens vóórdat dat RIBA de post-degree course erkende - sarcastisch dat de discussie was verbreed tot “een mijl breed en één inch diep”. Johnny Holland vindt juist dat “het stroompje een vloedgolf is geworden, die nu het bastion van de praktijk begint te raken. Het oude, gesloten systeem is aan het afbreken, de barsten worden zichtbaar. Ik denk dat we het publiek achter ons hebben, maar we zijn nog steeds een minderheid, nog steeds klein en kwetsbaar, we moeten onszelf beschermen.” En dan ineens, relativerend: “Misschien zijn wij hier gewoon ons eigen old boys' network aan het creëren.”

    • Tracy Metz