Het hunkeren

Bij Theo Mulder, boerderijtje, Hippolytushoef. Hij heeft een aantal beelden in de tuin, daar passen een paar woorden bij. Een woord als steen. Het woord sirenen ook, die ondoorgrondelijke wezens uit het Grieks, hun hunkering naar liefde en verderf. Ze doen wel iets, die woorden, maar niet veel, niet meer dan rijp of vogelpoep - het beeld, dat blijft zichzelf.

Dat is al zo bij het begin, een inval bij het wakker worden, of de afwas, of het lopen langs het wad. Zo'n inval is de pure vorm, een holte zus, een ronding zo. Daar zijn, hoewel een woord als hunkering ook nu van dienst kan zijn, geen woorden voor. Of ja, ze zijn er wel, ze loeren op een kans, ze leggen uit wat de bedoeling is; die woorden moet je mijden, ze zijn de dood voor het idee.

Het spreken blijft beperkt tot potlood op papier, tot vingers in de klei, tot beitel in graniet. “En dan”, zegt Theo, “als het klaar is, praat ik helemaal niet meer; dan moeten ze maar zien.”

Dus steen, sirene, vrouw met vleugels, zang en balts. Maar verder staat het beeld alleen. Er zijn geen woorden om te zorgen dat het wordt gezien, laat staan dat het begrepen of bewonderd wordt.

Je eigenheid zit in het maken zelf en niet in expositie, al helemaal niet in applaus.

Zo stil als steen, zo zou je moeten zijn.

Maar toch, de hunkering.

    • Koos van Zomeren