Gezellig-kille vertelling van Willem Brakman; Wedijveren met Van Gogh

Willem Brakman: Vincent. Uitg. Querido. 180 blz. Prijs: ƒ 32,50.

De Nederlandse literatuur heeft het goed gedaan in Frankfurt. Een hele stoet Nederlandse schrijvers mag zich, in het kielzog van Nooteboom en Mulisch, verheugen in een nieuwe afzetmarkt. Ook voor allang overleden schrijvers als Bordewijk en Vestdijk schijnt weer belangstelling te zijn gewekt in het buitenland. Ik heb zo'n vermoeden dat niemand op het idee is gekomen om de boeken van Brakman tot een bescheiden zwaartepunt uit te roepen. Zijn naam heb ik in elk geval nergens gelezen. Toch kun je hem bepaald internationaal georiënteerd noemen met titels als De gehoorzame dode (1961) over Lazarus, De blauw-zilveren koning (1977) over Wilhelm II van Beieren, Heer op kamer (1988) over Jack the Ripper of De vadermoorders (1989) over paus Innocentius X.

Brakman oogst al ruim dertig jaar meer weerstand of onverschilligheid dan bijval. Het is typerend dat Ton Anbeek in het tijdschrift Literatuur zijn gram kon uiten over het feit dat nieuw werk van Brakman ook wel eens gunstig besproken wordt. Achter die enkele loftuitingen vermoedde hij een doorgestoken kaart, omdat hij zich eenvoudig niet voor kon stellen dat er ook maar één lezer plezier zou kunnen beleven aan wat hij betitelde als ”oeverloos proza'.

Zo vreemd of verdacht is het niet dat zich juist onder de Brakmanlezers de nodige oprechte bewonderaars bevinden. Brakman is een weinig toegankelijk auteur, voor wie een lezer zich enige moeite moet getroosten. Wie eenmaal enigszins doorgedrongen is in het sterk samenhangende Brakmanuniversum - door simpelweg een of meer romans of novelles uit te lezen - zal van elk volgend boek meer kunnen genieten. Als hij of zij tenminste ontvankelijk is voor Brakmans weelderige stijl, zijn associatieve manier van vertellen en van de samenzweerderstoon die zijn voorliefde heeft.

Zelf weet hij zijn geringe populariteit in een vraaggesprek al eens aan zijn neiging om het boosaardige in de mens te benadrukken, maar dat lijkt mij niet de reden. Ik denk dat veel lezers eerder afgeschrikt worden door de vorm dan door de inhoud van zijn werk. Of, zoals Brakamn in 1960 schreef aan zijn vriend Nol Gregoor: “Ik wil je een verhaal vertellen, alleen ik weet nog niet precies welk. Eigenlijk gaat het mij ook niet om het verhaal, maar om het schrijven ervan.”

Brakman is, in zijn eigen terminologie, een verteller puur. Het is hem er niet om begonnen zijn lezers te informeren over iets, maar om zo genuanceerd mogelijk uitdrukking te geven aan wat zich nu juist bijna niet laat overbrengen: stemmingen, gevoelens, gewaarwordingen, gebaren, blikken. Je moet ervan houden, van de schier eindeloze opsommingen waartoe Brakman graag zijn toevlucht neemt, de drietrapsmetafoor (”grond, fond en bodem') en de humor in kunnen zien van een zin als: ”Hij stond er steevast, dag en nacht, ook als hij op 't land werkte'. Niet het feit geeft bij hem de doorslag, maar de formulering.

Dat zijn nieuwe roman Vincent heet, garandeert dan ook niets voor wie in Van Gogh geïnteresseerd is en hoopt op een of andere biografie. De ”geelharige man uit Nuenen' komt er zelfs wat bekaaid af, met zijn ”borende offervaardigheid' en zijn ”wurgende mededogen'. Zijn werk wordt afgedaan als achterhaald. “Maar hoe snel was men ermee vertrouwd geraakt ondanks de honende toets, het grof behandelde vlak, klap, veeg en rauwe zwiep der penseelvoering. Wie stond er nog stil bij een gekraakte boer, een uitgezogen stoet werkers met lege ogen, het leed der Amsterdamse paarden of het hoofd van vader Van Gogh in luguber zwart krijt.” Als een gearriveerd kunstenaar die de buit allang binnen heeft, mag hij in de tweede helft van de roman nog even opduiken. Voor het overige fungeert hij alleen als leverancier van Van Gogh-attributen: de strohoed, het baardje, de pijp, de afgesneden oorlel, de groene ogen, en veel geel.

Hoofdpersoon van de roman is niet Vincent, maar een schilder die Jan heet en het dichter bij huis zoekt dan zijn grote voorganger en kwelgeest. Maar al te goed weet Jan, die zich ”intimist' noemt, dat zijn kneuterige interieurs en zijn schalen, potten, nappen en mokken ”met of zonder fruit erin' bleek afsteken bij de hooggestemde werken van Van Gogh, en dat zijn ”rivierperiode' het niet haalt bij Vincents Borinage. De roman staat in het teken van de creatieve wed- en vooral naijver. Daartoe bracht Brakman een legertje van zwakke kunstbroeders op de been, die elkaar op omzichtige wijze proberen te kleineren: een dichter zonder oeuvre, een ”inventief knoopster van wandkleden', een miskende zanger, een oude schilder die niet schildert, een ongetalenteerde ”schildersbent' en natuurlijk Jan zelf, die met vetkrijt zijn ”krabbeltjes' maakt, zoals Brakman dat zelf ook deed in zijn jonge jaren.

Vincent is een even intieme als hoekige roman, een gezellig-kille vertelling waarin Van Gogh, de Haagse Schildersschool, Nuenen, de Borinage, de aardappeleters en veel korenvelden met kraaien erboven, tot een komische verbintenis gedwongen worden met de nederige, maar toch ook wel zelfbewuste priegelaar die Brakmans hoofdpersoon en alter ego is. Want hij mag zich vergeleken bij Van Gogh een ”homp smeerkaas' voelen, hij is ook een overtuigde intimist, die het liefst binnen zit op het late middaguur: “buiten vinnig koud, theelichtje op tafel, luisteren naar de door sneeuw gedempte geluiden op straat.”

UIT: WILLEM BRAKMAN, VINCENT:

Het was een ruig en verwaterd land waarin hij binnendrong, geen Borinage, en met een eigenzinnige bevolking die zich niet van de oevers af liet rukken en veel achter bomen en ramen stond te kijken naar het hoe en wat. De boerderij bleek slechts een schuur naast een boerderij met al op het oog een gemeenschappelijke pomp op het erf en een dito privaathuisje. Vanaf de dijk kon Jan zijn schamele have en goed overzien en gedacht met spijt Vincent: hij kwam hier om zich het elementaire te realiseren, Van Gogh werd er met zon en al door achtervolgd. Hij was hier gekomen om dichter bij de eerlijke dingen te zijn, bekeek ze liefdevol maar met geknepen ogen, liet ze om en om kantelen tussen zijn dikke vingers om de innerlijke vorm en zette ze daarna bedachtzaam weer neer. Vincent dacht dat allemaal niet, die ging met zijn hele hebben en houwen ter communie waarna alles weer verzonk in de gebruikelijke misère.