Geen zuurkool maar granaatappels; Nadrukkelijk on-Hollandse verhalen van Ingeborg van Geldermalsen

Ingeborg van Geldermalsen: De gelukkige man, Uitg. Nijgh & Van Ditmar, 140 blz. Prijs ƒ 29,90.

Ingeborg van Geldermalsen behoort tot een zo langzamerhand omvangrijke lichting schrijvers bij wie Nederland, de eigen tijd en het navelstaren in diskrediet zijn geraakt. In haar tweede bundel De gelukkige man gaat Van Geldermalsen zich te buiten aan een soort literair toerisme. Het titelverhaal is gesitueerd in Frankrijk, "Meneer Fauret slaapt verder' speelt zich af in Londen en "Het harmoniemodel' in Heidelberg.

Van Geldermalsens voorkeur gaat echter uit naar warmere gebieden als plaats van handeling: Spanje, Latijns Amerika en een niet nader omschreven Grieks eiland. Geen weilanden, maar pampa's: de geur van granaatappels in plaats van de walm van zuurkool.

Ook de personages in de meeste verhalen zijn nadrukkelijk on-Hollands in hun gepassioneerdheid, hun intense omgang met de natuur, het leven en de dood. Een stoet van schilderachtige types trekt in de verhalen voorbij, waarbij de auteur opnieuw geen geheim maakt van haar bewondering voor de zuidelijke mens. Eilandbewoners kijken onveranderlijk diepzinnig uit over de zee, getaande bergbewoners gaan zwijgend op in de kosmos.

Dat, lijkt Van Geldermalsen te willen zeggen, zijn nog eens levens. Wat een verschil met het bleke bestaan in Nederland. In het verhaal dat niet voor niets "Het harmoniemodel' heet, komen we zo'n Hollands stel tegen. In hun benepen leventje is geen plaats voor passie. Een verzuchting van de vrouwelijke verteller: "Van de werking van een clitoris hadden we geen enkele notie, dus dat orgaan bleef buiten de feestvreugde.' (Het staat er echt).

Wat het literaire toerisme van Van Geldermalsen oplevert zijn stuitende cliché's - in "De gebaksarrangeur' begint een joodse emigrant een nieuw leven bij "een braamstruik'! - en een o zo Hollands wijsvingertje. Toch is dat niet het grootste bezwaar. Waarom zouden we van een schrijver verwachten dat hij meer ziet dan de gemiddelde Griekenland-ganger? Maar hij moet het wel min of meer onvergetelijk vastleggen. Hoe Ingeborg van Geldermalsen ook haar best doet om haar verhalen er "literair' te laten uitzien, ze slaagt er niet in.

Het is een kwestie van stijl. Zinnen als "Marie voelt een brandend gevoel in haar borst' kunnen al niet. Erger is dat riviertjes steevast "kronkelend hun weg zoeken' en honden zo groot zijn dat je omvalt als ze tegen je opspringen. "Regen valt met bakken uit de hemel', in een fabriekshal is het uiteraard "een hels kabaal' en mensen zijn "dronken van liefde'.

De zondvloed van cliché-uitdrukkingen valt des te meer op, omdat Van Geldermalsen zo haar best doet om de magere thematiek van haar verhalen te verhullen met opzichtige literaire kunstgrepen. De meeste verhalen beginnen een beetje geheimzinnig, midden in de actie, waarna de puzzelstukjes langzaam in elkaar vallen. Maar omdat de verhalen gebaseerd zijn op clichés, is die geheimzinnigheid eigenlijk alleen aandoenlijk.

Andere kunstgrepen zijn de herhaling, door Van Geldermalsen gehanteerd alsof die door haar is uitgevonden, en de uitweiding. Al in de eerste regel van de bundel is sprake van een eiland met "aan weerszijden zee' en bergen die niet alleen "rotsachtig' blijken te zijn, maar zelfs "grillig'.

De schrijfster wil haar proza met die kommarijke zinnen, denk ik, een on-Hollandse vervoering meegeven. Het resultaat is een potsierlijk gesmijt met woorden: would be-literatuur.

    • Gertjan van Schoonhoven