Een verzinsel

Toen de mier weer eens een verre reis maakte zat de eekhoorn voor zijn raam en dacht aan hem.

Plotseling begon hij te rillen en dacht: bestaat de mier eigenlijk wel?

Hij ging aan zijn tafel zitten en verborg zijn hoofd in zijn handen.

Misschien heb ik de mier wel verzonnen..., dacht hij.

Zijn gedachten werden zwart en hij was bang dat hij zó verdrietig zou worden dat hij zich nooit meer zou kunnen verroeren.

Nog net op tijd sprong hij op, liep naar buiten, klom langs de beuk naar beneden en holde het bos in.

Al snel kwam hij de krekel tegen.

“Krekel,” zei hij buiten adem, “heb jij wel eens van de mier gehoord?”

De krekel stond stil en er verscheen een peinzende uitdrukking op zijn gezicht.

“De mier...,” mompelde hij, “heb ik daar wel eens van gehoord... Hoe zei je ook maar weer?”

“De mier,” zei de eekhoorn. “De mier.”

“De mier,” herhaalde de krekel bedachtzaam. “De mier. De mier...'

Toen schudde hij zijn hoofd.

“Nee,” zei hij. “Daar heb ik nog nooit van gehoord.”

“O,” zuchtte de eekhoorn. “Dan heb ik hem misschien verzonnen.”

“O ja?” vroeg de krekel nieuwsgierig.

Maar de eekhoorn liep vlug verder en vroeg hetzelfde aan de tor, de zwaluw, de olifant en de mus. Maar niemand had van de mier gehoord. “Nee,” zeiden zij. “De mier... Nee. Helaas.” Ze hadden van de desman, de kneu, de gnoe, de muskusos en de narwal gehoord, maar niet van de mier.

Aan het eind van de middag liep de eekhoorn naar huis. Zijn voeten leken wel van modder, en hij kon nauwelijks meer in de beuk klimmen. Somber bleef hij voor zijn voordeur zitten, terwijl de laatste stralen van de zon langs zijn wangen gleden.

Ik heb hem dus verzonnen..., dacht hij. Dus ik heb ook zijn voelsprieten en zijn tenen verzonnen, en dat hij honing het allerlekkerste vindt dat er bestaat... En dat ik hem mis, dat heb ik dus ook verzonnen...

In zijn gedachten zag hij zijn verzinsel lopen. En samen zaten ze aan de oever van de rivier, hun armen om elkaars schouders. Even later hoorde hij zijn verzinsel zelfs tegen hem praten en hem iets ingewikkelds uitleggen waar hij niets van begreep.

Zo viel hij in slaap, voor zijn deur, op een warme avond in de zomer.

Ver weg, in de woestijn, wiste de mier de zweetdruppels van zijn hoofd, terwijl hij zo hard mogelijk holde, op weg naar het bos, naar de eekhoorn. Als hij mij maar niet vergeten is, dacht hij en holde nog harder. “Ik kom eraan!” riep hij. “Eekhoorn!”