De naam- en noemziekte van Libuse Monikova; De geheime hoofdstad van het avondland

Libuse Monková: Drijfijs. Vert. Tinke Davids. 233 blz. Uitg. Van Gennep. Prijs ƒ 38,50.

"Shakespeare in de bioscoop? Ik lees hem liever. Maar het is beter dan op het toneel. Favoriet? Misschien Macbeth van Kurosawa. Het geeft niet wat hij in handen neemt. Hij is beknopter van taal, hij heeft genoeg aan beelden. Ik geloof dat Macbeth het best bij Groenland past. Shakespeare helemaal trouwens. Misschien ook bij Afrika, maar dat ken ik niet.'

Shakespeare is het interculturele bindmiddel in de roman Drijfijs van Libuse Monková. Hoeveel de volkeren ook scheidt, de traditie in het lezen en spelen van Shakespeare delen ze met elkaar. Shakespeare is Monková's recept voor een betere wereld met meer wederzijds begrip dan er nu is.

Het eerste hoofdstuk van Drijfijs lijkt vooral bedoeld als een demonstratie van Shakespeares grensopheffende kwaliteiten. Monková beschrijft een Engelse les in een uithoek van de wereld, op een school in Groenland. De leraar, Jan Prantl, is een geëmigreerde Tsjech. Hij laat de kinderen hun voorstellingen bij zijn Shakespeare-verhalen tekenen. Dat een theater op die tekeningen veel weg heeft van een iglo is voor hem het bewijs dat culturen elkaar kunnen verrijken. Het oordeel van Prantls superieuren over zoveel tolerantie is vernietigend. Bij wijze van nascholing wordt hij naar een internationaal pedagogisch congres in Oostenrijk gestuurd.

Monková schildert dit congres als een potpourri van absurditeiten. Hoe kan een vredelievend mens als Prantl zich nu het voorbeeld van de filosoof Wittgenstein ter harte nemen, die ooit zijn pupillen de diepere inzichten in het rekenwerk trachtte bij te brengen door hen ritmisch met de hoofden tegen het bord te slaan. Gedesillusioneerd verlaat Prantl het congres en begint hij aan een rondreis door Oostenrijk.

Vanaf dat moment krijgt Drijfijs steeds meer het karakter van een culturele reisgids, met de nadruk op Midden-Europa. Helaas is de gids onbruikbaar. Drijfijs bezwijkt onder Monková's ambitie de canon van het Europese cultuurgoed in één adem te beschrijven en te herzien. Randgebieden als Nederland en Engeland zijn ondergebracht in de rubriek "ditjes en datjes', maar een strengere selectie was beter geweest. Zo maakt de mededeling dat de Tsjechische componist Janácek ooit een bezoekje aan Vlissingen heeft gebracht een volkomen overbodige indruk, alleen gedaan om Nederlandse lezers bij de les te houden.

Tijdens zijn rondreis door Oostenrijk wordt Prantl vergezeld door een Tsjechische die na het neerslaan van de Praagse Lente is geëmigreerd. De Koude Oorlog is nog in volle gang en het lijkt er niet op dat het IJzeren Gordijn ooit zal bezwijken. Achter dat IJzeren Gordijn ligt het onbereikbare Praag, in Monková's optiek de geheime hoofdstad van het Avondland.

De twee emigranten worden geliefden, maar de liefdesroman die Monková ook wilde schrijven komt niet uit de verf. Daarvoor wordt het cultuurdebat te breed uitgesponnen. In plaats van begrip ontstaat verwijdering: “Ze bereiken het punt waar elk een verschillend land "Tsjechoslowakije' noemt, en met een scheef vertrokken mond ook "vaderland'.”

Enkele grote zonen van Praag die iedere welopgevoede Europeaan volgens Prantl en zijn reisgenote zou moeten kennen passeren de revue: Jan Hus (hervormer), Jan Palach (zelfverbrander) en Franz Kafka (schrijver). In De Façade, de roman waarmee Monková in 1989 internationale erkenning verwierf, doken die namen ook al op. Dat getuigt van een zekere continuïteit in Monková's oeuvre, maar ook van bloedeloze herhaling. Met een flinke dosis ironie, vermoed ik, had de ongebreidelde naam- en noemziekte waaraan de auteur ten prooi gevallen is, zo genezen kunnen worden.

Net als in De Façade wordt de lezer van Drijfijs er aan herinnerd dat Libuse (de voornaam van de schrijfster) meer is dan de naam van de legendarische stichtster van Praag. Zij is de belichaming van een zachtaardige mentaliteit die, hadden de Europeanen daar een voorbeeld aan genomen, veel historische rampen verhinderd zou hebben.

Moeten wij uit het gekoketteer met haar eigen voornaam afleiden dat Monková het feminisme een warm hart toedraagt? Daar geeft zij geen uitsluitsel over - een hele prestatie, omdat de schrijfster de neiging uit te leggen en te verklaren elders amper kan onderdrukken.

Verluchtigden slapstickelementen in De Façade nog wel eens de loodzware tekst, in Drijfijs ontbreekt de humor vrijwel geheel, enkele absurdistische vondsten daargelaten. Zo zakelijk is de toon van het proza dat de beoogde ironie in de verdrukking komt. Het staccatoritme van haar zinnen is des te hinderlijker omdat de schrijfster aan de oppervlakte van de gebeurtenissen blijft. Onbedoeld ontstaat zo het effect dat zij niet betrokken is bij haar eigen project.

Uiteindelijk is Drijfijs vooral een creatie van het verstand, het hart schreef niet mee.

    • Peter Veldhuisen