De gruwelijke gedichten van Paul Celan; Flessenpost uit een sneeuwlandschap

Volgens de joods-Duitse dichter Paul Celan was de Duitse taal na 1945 met bloed bevlekt en gekleed in SS-uniform. Hij zocht een nieuwe taal om de gruwelen van de Tweede Wereldoorlog te beschrijven; een taal waarmee het verzwegene hoorbaar kon worden gemaakt.

Paul Sars: Ich bin es noch immer. Aufsätze zur Konsistenz in der Lyrik Paul Celans. Diss. KUN. Uitg. Verzameld Werk. ISBN 90 7296 806 9 Prijs: ƒ 39,50

Paul Celan: De niemandsroos. Vert. Ton Naaijkens. Uitg. Picaron editions. ISBN 90 7146 654 X. Prijs ƒ 39,50.

Paul Celan: Ademkeer. Vert. Ton Naaijkens. Uitg. Picaron Editions. ISBN 90 7146 662 0. Prijs ƒ 39,50.

Dichtregels op spandoeken zijn even zeldzaam als spandoeken in dichtregels. Maar in januari 1991, tijdens een demonstratie in Jeruzalem tegen Duitse zenuwgasleveranties aan Irak, liep er een Israeliër mee met de tekst "Der Tod ist ein Meister aus Deutschland', uit het gedicht "Fuga van de dood' van de joodse dichter Paul Celan. De heldere en ondubbelzinnige tekst op het spandoek vloekte met de vaak moeilijk toegankelijke inhoud van Celans dichtwerk. "Fuga van de dood' werd in 1945 geschreven door een 25-jarige hypergevoelige jongeman, die beheerst werd door één echte passie in zijn leven: dichten. Het gedicht is een van zijn meest toegankelijke en beschrijft een concentratiekamp, waar zijn beide ouders door de Duitsers vernietigd werden. Het is in vele talen vertaald en behoort tot de bekendste gedichten in de naoorlogse wereldliteratuur.

Zwarte melk der vroegte we drinken haar 's avonds

we drinken haar 's middags en 's morgens we drinken haar 's nachts

we drinken en drinken

we graven een graf in de lucht daarin ligt men niet krap

Een man woont in huis die speelt met de slangen die schrijft

die schrijft als het donkert naar Duitsland je goudblonde haar Margarete

hij schrijft het en komt uit zijn huis en dan flitsen de sterren hij

fluit zijn jachthonden samen

hij fluit zijn joden tevoorschijn laat graven een graf in de aarde

hij beveelt ons speel op nu ten dans

(-) Hij roept speel zoeter de dood de dood is een meester uit Duitsland

hij roept strijk donkerder snaren dan stijg je als rook in de lucht

dan heb je een graf in de wolken daarin ligt men niet krap. (-)

je goudblonde haar Margarete

je asgrauwe haar Sulamiet

Margarete, het liefje van de kampcommandant, is een verwijzing naar de blonde Gretchen uit Goethes Faust. Sulamiet was de geliefde van Koning Salomo, die als mooiste der vrouwen in het Hooglied wordt bezongen.

Wie het gedicht een aantal keren leest, waant zich plotseling zelf in het kamp en opeens rijst er twijfel over de vraag wat het dichtst de essentie van het concentratiekamp benadert: de 1090 pagina's van De Ondergang van Jacques Presser of de 36 regels van Paul Celan. Het werk van Celan krijgt ook in Nederland langzaam de plaats die het verdient: in 1991 werd het Paul Celan Genootschap opgericht en deze zomer verscheen een belangwekkende dissertatie aan de Universiteit van Nijmegen.

Scheut Jiddisch

Paul Celan werd op 23 november 1920 in Czernowitz als Paul Antschel geboren. Czernowitz was tot 1918 de hoofdstad van het hertogdom Boekovina, de meest oostelijke uithoek van de Donaumonarchie. Na de Eerste Wereldoorlog werd Boekovina bij Roemenië gevoegd. Zoals de meeste joden in die streek spraken Celans ouders Duits met een scheut Jiddisch erdoorheen en na 1918 werd niet Boekarest hun culturele hoofdstad, maar bleef dat Wenen. Naast de culturele erfenis van het Oostenrijks-Hongaarse rijk vormde het chassidisme een wezenlijk onderdeel van zijn opvoeding. Deze joodse opwekkingsbeweging uit Oost-Europa was een reactie op het strenge, intellectualistische karakter dat de rabbijnen de joodse godsdienst in de loop der eeuwen gegeven hadden. Het chassidisme, van grote invloed op Celans latere dichtwerk, legt sterk de nadruk op het gevoelselement, de mystiek en de morele houding in de religie.

Zijn ouders stuurden hem naar het prestigieuze Duitse gymnasium in Czernowitz. Maar het toenemende antisemitisme in de jaren dertig legde de joden een gedwongen assimilatie op en in 1935 moest Celan van school veranderen. Hij werd op het Staatsgymnasium geplaatst, waar Roemeens werd gesproken en Duits als vreemde taal op het rooster stond. Hij richtte er meteen een leesclub voor Duitstalige literatuur op, waar onder andere Rilke, Trakl en Kafka werd gelezen. In 1939 schreef hij zich in als student romanistiek aan de filosofische faculteit van Czernowitz. Na het vriendschapsverdrag tussen Duitsland en de Sovjet-Unie werd de stad op 20 juni 1940 door Sovjet-troepen bezet.

Terwijl Celan zich intussen aan zijn studie wijdde, zijn eerste gedichten schreef en Middelhoogduitse literatuur vertaalde, vielen op 5 juli 1941 Duitse en Roemeense troepen de stad binnen, als onderdeel van het grote Duitse offensief tegen de Sovjet-Unie. Celan kreeg aanvankelijk als taak van de bezetters om Russische boeken in te zamelen met het doel om vernietigd te worden. Later werd hij in het Roemeense werkkamp Tabaresti als dwangarbeider bij de wegenbouw tewerkgesteld. Nog tijdens de oorlog hoorde hij dat zijn ouders in een Oekraïens concentratiekamp waren vermoord. In april 1944 werd hij bevrijd door de Russen en kreeg nu als opdracht om Duitse boeken ter vernietiging in te zamelen. Tussen 1945 en 1947 woonde hij in Boekarest en werkte als lector en vertaler bij een uitgeverij en vertaalde onder meer Lermontov en Tsjechov in het Roemeens.

Eind 1947 vluchtte hij via Boedapest naar Wenen met in zijn koffer het manuscript van zijn eerste dichtbundel Der Sand aus den Urnen die in het voorjaar van 1948 in een oplage van 500 exemplaren verscheen. In 1948 vestigde hij zich in Parijs, waar hij de rest van zijn leven woonde. Hij studeerde germanistiek en taalwetenschap aan de Sorbonne en voorzag met vertalen in zijn levensonderhoud. Zijn roem als dichter zorgde er onder meer voor dat hij in 1959 werd benoemd tot lector voor Duitse taal- en letterkunde aan de fameuze École Normale Supérieure te Parijs.

Gotspe

De gruwelen van de jodenvernietiging waren als onwrikbare weerhaken zijn ziel binnen gedrongen en bepaalden in grote mate niet alleen de inhoud, maar ook de vorm van zijn gedichten. De Duitse taal, vroeger van Dichter und Denker, was door de oorlog verkracht en ontzield tot een taal van Richter und Henker. Het zou een gotspe zijn om op de wijze van Goethe of Schiller een gedicht over de concentratiekampen te schrijven. De woorden waren met bloed bevlekt en gekleed in SS-uniform de oorlog uitgekomen. Hoe nu een nieuwe taal te vinden om de gruwelen van de Tweede Wereldoorlog te beschrijven? De leugenachtigheid van de Duitse taal tussen 1933 en 1945 had volgens Celan ingrijpende consequenties voor de Duitse poëzie na de oorlog. Bij de uitreiking van de literatuurprijs van de stad Bremen, zei hij daarover iets wat als een poëtisch credo gelezen kan worden: “De Duitse poëzie kan niet meer de taal spreken die menig toegewijd oor nog altijd van haar schijnt te verwachten. Ze wantrouwt het schone, ze probeert waar te zijn. Ze idealiseert niet en poëtiseert niet.” Adorno schreef in 1949 dat het barbaars zou zijn om na Auschwitz nog gedichten in het Duits te schrijven. Later, toen Adorno Celans gedichten las en bewonderde, herzag zijn uitspraak: "Het aanhoudende leed heeft er net zo veel recht op geuit te worden als de gemartelde heeft om te schreeuwen.'

In 1955 verscheen Celans bundel Von Schwelle zu Schwelle, die net als de vorige bundel door de Duitse kritiek vol lof werd ontvangen als een geslaagde poging om na de verstomming door Auschwitz opnieuw te leren spreken.

In de bundel staat het gedicht "Met wisselende sleutel'.

Met wisselende sleutel

ontsluit je het huis, waarin

de sneeuw van 't verzwegene woedt.

Naar gelang het bloed opwelt

uit je oog of je mond of je oor,

wisselt je sleutel.

Wisselt je sleutel, wisselt het woord

dat woeden mag met de vlokken.

Naar gelang de wind die jou wegstoot,

balt om het woord zich de sneeuw.

Door het gedicht heen waart het woord "sleutelwoord', dat niet genoemd wordt. Met steeds weer nieuwe sleutelwoorden, anders gezegd metaforen, probeert Celan het verzwegene, het onuitsprekelijke leed toch hoorbaar te maken. De gestaag neervallende sneeuw wordt geïnterpreteerd als het bedekken van het verzwegene met een steeds dikkere laag en probeert het voor altijd aan de vergetelheid prijs te geven. Wanneer het woord het gevecht aangaat met de sneeuw dan wordt de dichter door een grillige wind waar hij geen vat op heeft, het woord uit zijn hand gerukt. Het woord valt in de sneeuw. Het lijkt het gevecht verloren te hebben omdat de sneeuw zich om het woord balt. Maar op hetzelfde moment maakt het door sneeuw omhulde woord zo het verzwegene zichtbaar. Zo spreekt en zwijgt het gedicht tegelijkertijd.

Deze paradox, typisch voor Celan, laat zien dat het verzwegene niet uitgedrukt kan worden, behalve als een contour, van gebalde sneeuw, van iets waar geen woorden voor zijn. Het gedicht bevindt zich altijd op de rand van het zwijgen. Celan zei daarover bij de uitreiking van de Büchner-prijs: “Het gedicht vertoont, dat is onmiskenbaar, een sterke neiging tot verstommen. Het gedicht handhaaft zich op de rand van zichzelf.” De paradox van het in een gedicht tot een eenheid pogen te smeden van de tegengestelden omschreef hij eens als "de waarheid van het gedicht.' In al zijn gedichten probeert hij steeds weer nieuwe sleutelwoorden uit om de waarheid te ontsluiten. De woorden, voorzien van vele verschillende betekenissen om de kans op het openen van het slot te verhogen, zocht hij met name bij mystici in chassidische geschriften, de kabbala, de bijbel en de natuur. Dat bezorgde hem het aura van een hermetisch dichter, een omschrijving die hij zelf met stelligheid van de hand wees. Hij omschreef zijn werk als "Mehrdeutigkeit ohne Maske'.

Of het nu als hermetisch of "meerduidig' omschreven wordt, het is een barrière voor de lezer en tegelijk een uitdaging om zich op een expeditie door het dichtwerk te begeven. Gaandeweg wordt duidelijk dat de dichter ieder woord verschillende gedaantes heeft gegeven, waardoor de woorden een enorm hoog soortelijk gewicht krijgen. Daarom is het raadzaam de gedichten van Celan slechts mondjesmaat tot zich te nemen, om niet het risico te lopen om te komen in de lawine van dubbelzinnige regels. Maar wie voorzichtig zijn weg gaat kan boven de hermetische lawines uitstijgen en wordt beloond met beelden van een gruwelijke pracht over de essentie van de verschrikkingen van de twintigste eeuw.

Mineraal

Naast het gevecht om het verzwegene hoorbaar te maken is een ander thema van Celan de onafgebroken poging om de traan op te delven. De traan om het opgekropte en onzegbare leed te bewenen, die zich als een kostbaar mineraal in de diepste diepte van de ziel bevindt en niet aan de oppervlakte kan komen. In het gedicht "Thuiskomst' beschrijft hij in de eerste strofen een landschap dat bedolven is onder een aanhoudende sneeuwval. Dan gaat hij verder:

Er doorheen, onafzienbaar,

het sleespoor van het verlorene.

Eronder, geborgen

stulpt zich omhoog

wat de ogen zo'n pijn doet,

heuvel na heuvel,

onzichtbaar.

In een ander gedicht laat hij God de aarde beploegen.

Luister de ploegschaar, luister.

Luister: ze knarst

over de harde, de heldere

de onheuglijke tranen.

God zelf beploegt de dodenakker in een poging om met het vocht van de tranen de aarde weer vruchtbaar te maken. Maar zelfs Zijn ploegschaar ketst af op het harde, ondoordringbare pantser van de traan.

Het lezen van Celan is een expeditie. Wie genoeg uithoudingsvermogen heeft, merkt dat Celan er in slaagt bij de lezer een andere taal in het onderbewuste aan te boren, die een geheel ander woordenboek heeft, dat we niet kennen, maar waarvan het bestaan zeker is. Zijn vriend Edmond Jabès beschreef het als volgt: "Achter de taal van Paul Celan is de nooit verstomde echo van een andere taal te horen.' In navolging van de Russische dichter Osip Mandelstam, die hij zeer bewonderde en aan wie hij de bundel De Niemandsroos uit 1963 opdroeg, beschouwde Celan zijn gedichten als flessenpost aan een onbekende lezer “in het zeker niet altijd hoopvolle geloof dat die ergens en ooit aan land zou kunnen aanspoelen, aan het land van het hart misschien. Het gedicht wordt een gesprek, vaak is het een vertwijfeld gesprek. De dichtkunst, dames en heren, deze oneindigspreking van louter sterfelijkheid en vergeefsheid,” aldus Celan tot zijn gehoor bij het verlenen van de Büchner-prijs.

Maar het gedicht confronteert de lezer van Celan ook met een probleem dat nu al twee generaties germanisten hevig bezighoudt: de interpretatie van zijn teksten.

Bij de interpretatie van de titel van een van Celans dichtbundels Spreektralie, ontleend aan een gelijknamig gedicht, zijn de ijverige germanisten inmiddels al tot vijf verschillende betekenissen gekomen: 1. Het traliewerk tussen de biechtvader en de biechteling. 2. Een verwijzing naar de roman Hesperus van Jean Paul (1763-1824), die Celan zeer bewonderde, waar het oog van de geliefde een spreektralie wordt genoemd. 3. De taal zelf als spreektralie, een traliewerk waardoorheen "iets anders' spreekt. 4. Een beeld voor de structuur van de poëzie: een vlechtwerk van draden, met behulp waarvan werkelijkheid gesponnen wordt. 5. Een taalraster, dat door middel van verdraaiing en verhulling, contradicties en paradoxen juist probeert datgene poëtisch aan te duiden wat zelf niet meer gezegd kan worden.

Bibliotheek

Wat moet de argeloze lezer met deze hooggeleerde beschouwingen? Verliest het gedicht aan waarde als hij zelf tot een, hooguit twee betekenissen komt? En wordt de poëzie van Celan niet verstikt onder de almaar groeiende bibliotheek, bijeengeschreven door overijverige interpreten? Paul Sars (32) schreef de bovenstaande vijf betekenissen op en promoveerde deze zomer op de poëzie van Celan: “Gedichten zijn niet geschreven om geïnterpreteerd te worden. Het lezen van gedichten is belangrijker dan het interpreteren. Ik reciteer Celans gedichten altijd luidop uit mijn hoofd, misschien als een soort bidden. De feiten rondom het dichtwerk heb ik sinds 1978 in een systeembak verzameld. Daarin zitten op duizenden fiches alle gedichten, alle zelfstandige naamwoorden, het aantal strofen, enzovoort. Wat heb je daar uiteindelijk aan? Niks. Waar het echt om gaat is het stemgeluid van Celan. Dat klinkt heel ingetogen en speelt zich af op de millimeter. Het gaat niet om grote gedachten of samenhangen over hoe de wereld in elkaar zit. Een heel beladen, betekenisvolle, maar ingehouden manier van spreken. Die nooit zingt. De schoonheid van de schilderijen van Anselm Kiefer. De schoonheid is de ingehouden passie en de dialoog.”

Sars is ook medeoprichter en voorzitter van het Paul Celan Genootschap dat symposia en lezingen over zijn werk organiseert. Het Genootschap stelt zich ten doel voor 2010 alle acht bundels van Celan in het Nederlands te vertalen, iedere keer voorzien van een boekje met opstellen rondom de bundel onder de titel De Meridiaan.

In 1991 verscheen De Niemandsroos (1963) en vorig jaar kwam in deze serie Ademkeer (1967) uit.

In Ademkeer staat het gedicht "Weggebeten' dat als een cesuur met alle eerdere gedichten van Celan beschouwd kan worden. De eerste strofe luidt:

Weggebeten door de

stralenwind van je taal

het bonte gezwets van het aan-

beleefde - de honderd

tongen van het mein-

vers, het onvers.

Met het meinvers, een associatie met meineed, doelt Celan op de gedichten die hij daarvoor schreef. De metaforen daarin, de honderd tongen, hadden niet meer dan bont gezwets opgeleverd. Vanaf nu zwoer hij de metaforen af. In een interview verklaarde hij: “Toentertijd experimenteerde ik nog met de geestelijke middelen van de mededeling. Ik speelde nog verstoppertje achter de metaforen. Nu, na twintig jaar ervaring met de tegenstellingen tussen binnen en buiten, heb ik het woordje "als' uit mijn atelier verbannen.”

Veel gedichten in Ademkeer spelen zich af in een onherbergzaam hooggebergte, waar Celan, ver boven het gebabbel van alledag, nog enkele woorden vindt die zo sterk zijn dat ze de vrieskou van de eeuwige sneeuw overleven. Onwillekeurig komt de vergelijking met Nietzsche op. Waar Zarathustra, na tien jaar alleen in bergen te hebben geleefd, gesterkt naar het dal terugkeert om, vol energie, de mensheid de komst van de Übermensch aan te kondigen, daar gaat Celan de omgekeerde weg en trekt alleen steeds verder de bergen in. Het onderweg achterlaten van de metaforen heeft zijn prijs: de laatste twee bundels na Ademkeer worden door lezers en germanisten als grotendeels ontoegankelijk beschouwd. De woorden beginnen op astronomische zwarte gaten te lijken, die nauwelijks nog licht uitstralen. Al het leed lijkt er zich in verdicht te hebben tot een wereldzware bol. In 1967 bracht hij enkele maanden in een psychiatrische inrichting door en werd met elektroshocks behandeld, die zijn crisis alleen maar verergerden. Hij sprak van zijn vrees voor "een angstaanjagend verstommen." Het doel van zijn ruim twintig jaar durende dichterlijke expeditie, het opdelven van zijn eigen tranen, werd niet bereikt. In mei 1970 besloot Celan hieruit de uiterste consequentie te trekken. Hij sprong de Seine in en legde zo zichzelf het zwijgen op.

    • Chris van Esterik