Cohen: koppel beoordelingen van universiteit

LEIDEN, 22 OKT. De beoordeling van de kwaliteit van het universitaire onderwijs en onderzoek moet gelijktijdig gebeuren. De landelijke beoordelingen van het onderzoek die deze maand zijn begonnen, zouden moeten worden gekoppeld aan de periodieke beoordelingen van het onderwijs die al langer plaatshebben.

Dit zei staatssecretaris Cohen (hoger onderwijs) gisteren op een bijeenkomst van de Vereniging van Samenwerkende Nederlandse Universiteiten (VSNU) ter gelegenheid van de start van de eerste landelijke beoordelingen van universitair onderzoek. In het nieuwe systeem zal niet alleen goed onderzoek worden onderscheiden van slecht onderzoek, maar ook "excellent' onderzoek worden geïdentificeerd. Ook moeten de te onderzoeken vakgroepen vijf representatieve "sleutelpublikaties' indienen bij de commissie.

Volgens Cohen ligt gecombineerd onderzoek naar de kwaliteit van onderzoek en onderwijs voor de hand omdat het typerende voor de universiteiten is dat onderzoek en onderwijs samengaan. Op dit onderscheid met het HBO legde Cohen ook nadruk in zijn vorige maand gepubliceerde Hoger-onderzoeks- en onderwijsplan (HOOP). De staatssecretaris vroeg zich ook af of de maatschappelijke relevantie van onderzoek en het management van de universiteiten voldoende aan bod komen.

Voorzitter W.C.M. van Lieshout van de VSNU vindt dat combinatie van de beoordeling van onderzoek en onderwijs “iets kunstmatigs” heeft, ondermeer omdat het bij onderzoek meer om het resultaat gaat en bij onderwijs om het proces. Alleen als de onderzoekscommissie daartoe aanleiding ziet wegens de aard van de onderzochte discipline, zou combinatie kunnen worden overwogen aldus Van Lieshout. Alleen bij het pharmaceutische onderzoek wordt de kwaliteit van het onderwijs betrokken.

Van Lieshout plaatste kritische kanttekeningen bij het nieuwe evaluatiesysteem van zijn eigen vereniging: “Opnieuw een bureaucratisch instituut toegevoegd aan de vele die in ons land bestaan en dat in een periode waarin vele centrale sturingssystemen mislukt zijn”. Van Lieshout benadrukte de autonomie van de universiteiten in het trekken van de conclusies uit de uitkomsten van de evaluaties. Hij waarschuwde tegen “onnodige ingrepen” door de overheid.

De emiritus-hoogleraar J. van der Waals, die in het verleden meewerkte aan een beoordeling van natuurkundig onderzoek, was nog negatiever. Hij wees erop dat het landelijke beoordelingssysteem uniek is in de wereld. “Dus of ons land is bij uitstek in staat tot dit soort ondernemingen of andere landen hebben ingezien dat dit een megalomane exercitie is, waardoor juist de beste onderzoekers niet meer aan hun werk toekomen.”

Het systeem van beoordeling van het onderzoek door een commissie van vooraanstaande internationale vakgenoten is dit jaar door de VSNU opgezet ter verbetering en handhaving van de kwaliteit van het wetenschappelijk onderzoek. Begin volgend jaar worden de eerste rapporten gepubliceerd over biologie, werktuigbouw, psychologie en historische wetenschappen. De rapporten zijn net als de sinds 1988 gehouden vistitatierondes over de onderwijskwaliteit, een gevolg van afspraken tussen het ministerie van onderwijs en de universiteiten over de vergroting van de autonomie van het universitair bestuur.

Cohen zei gisteren dat als uit het onderzoek zou blijken dat bepaalde vakgroepen duidelijk onder de maat presteerden het aan de universiteiten is om daar conclusies uit te trekken. Het ministerie zou pas in allerlaatste instantie ingrijpen.