Besluiteloos romandebuut van Paul Marijnis; Zwevend in wolken van steengruis

Paul Marijnis: De zeemeermin. Uitg. De Arbeiderspers, 185 blz. Prijs ƒ 29,90

Au fond heeft Marietje, de hoofdpersoon van Paul Marijnis' debuut De zeemeermin, veel liefs. Ze houdt bij voorbeeld enorm van dieren en dieren houden ook van haar en ze denkt in haar eigen tegendraadse taal - "Troela!' "Stomme koe!' - altijd met tederheid aan haar kamergenootje uit het tehuis voor "Anomische meisjes'. Ze is dol op lekker in een warm bad zitten en bij de open haard liggen, ze danst als ze maar eventjes kan en samen met de poes speelt ze soldaatje in het park. Maar voor de rest is ze heel moeilijk, vol grove taal, nare jeugd en wantrouwen tegen volwassenen. Veertien. En mooi, voor wie het wil zien, een "gamine', rank met lange benen en "zwarte ogen'.

Wie het allemaal graag wil zien is de middelbare kunsthistoricus die haar huurt om in een kapitale villa op de poes van zijn voor een jaar vertrokken medebewoonster te passen. Een heel gemene poes die de kunsthistoricus al dikwijls aan flarden heeft gescheurd en waar men in de hele buurt voor siddert, die bij de politie bekend is wegens haar lelijk en roofzuchtig karakter, maar die vanzelfsprekend binnen een paar uur de beste maatjes is met Marietje, want zij en die poes herkennen elkaar als het ware met één blik. Machteloos maar toch ontembaar zijn ze allebei.

De welgestelde kunsthistoricus is ook alles wat we van zo iemand mogen verwachten: te dik, verveeld, wereldvreemd, met een diepe liefde voor Mozart en niet al te moderne schilderkunst. Een zeer makkelijke prooi voor Marietje op wie hij tot over zijn oren verliefd wordt. Dan denkt hij dingen als: "het dappere kind! zo slank en flink!'

In advertenties van de uitgever en in een gesprek op de radio viel de naam Vladimir Nabokov verschillende malen in verband met Marijnis' De zeemeermin. De roman zou iets weg hebben van Lolita, maar dan moderner. De vergelijking is veroorzaakt doordat ook hier een oudere man en een jong meisje in een relatie verwikkeld zijn, maar De zeemeermin kan niet in de schaduw staan van Nabokovs meesterwerk. Dat hoeft ook helemaal niet, Nabokov debuteerde ook niet met zijn beroemd geworden roman, maar het is onverstandig om meteen in concurrentie te willen met een zo onbereikbaar ideaal. Dat zet lezers in de verkeerde houding.

Nabokov heeft altijd een stevige greep op zijn stof en zijn taal. Het probleem met De zeemeermin is dat de schrijver niet heeft kunnen beslissen wat hij nu eigenlijk wilde: realistisch zijn of satirisch, psychologisch of karikaturaal, dolkomisch of aangrijpend. Het gevolg is dat zijn roman niets van dat al geworden is. Geen aangrijpend boek over de gevolgen van incest, geen tragische liefde tussen een te oude man en een te jong meisje, niet de meesterlijk beschreven gevoelswereld van een slecht behandelde veertienjarige, geen schrijnende aanklacht tegen de toestanden in tehuizen voor moeilijke meisjes.

Wie kan een tehuis serieus nemen waar de leiding zo oliedom en onnozel is als hier? Een meisje wordt opgebeld door weggelopen Marietje en voert een tot op de gang te volgen telefoongesprek waarin ze uitroept: “O, meid! Je bent de limit! Wat een mazzel! Is-ie lief? Wat enig! Badzout? Jij regelt het wel hè? Hoe flik je dat?” etcetera en de dienstdoende hulpverlener denkt: “Waren die Marokkaanse moeders heus zo onnozel dat ze zich door hun dochtertjes moesten laten uitleggen hoe je een kerel opwarmt?” Dat er een meisje is weggelopen wordt wel door de leiding vermoed, maar men is niet in staat vast te stellen of het waar is. Wie kan een roman serieus nemen waarin dit voor werkelijkheid verkocht wordt?

Of hebben we toch met satire van doen? Er zijn allerlei plaatsen waarop je dat zou denken. Maar waarom moeten we dan eindeloos al die treurige staccato monologen van Marietje horen, doorspekt met televisie-Engels, waarin zij zichzelf niet toestaat om aan de verschrikkelijke mishandelingen uit haar jeugd te denken, maar er toch wel steeds zo veel aan denkt dat wij er ons een goed beeld van kunnen vormen? Haar gedachten en handelingen zijn te uitgebreid beschreven om te kunnen blijven geloven in een humoristische bedoeling. Dikwijls is er trouwens van geen humor sprake.

Ook in de taal heeft Marijnis niet weten te kiezen. Marietje moet ruw zijn en slecht opgeleid en daarom flink schelden: “Donderstraal toch op kloothommel! Kan je wel?” Ze moet heel veel bij zichzelf denken over haar leven en de wereld. Dan denkt ze allemaal halfaffe zinnetjes. Dat zou haar misschien aardig kunnen karakteriseren, maar helaas denkt de kunsthistoricus óók in van die halfaffe zinnen: “Kwestie van achtergrond. Straatkind, niet vergeten!” Dat is dus niet de stijl van de personages maar die van de schrijver. Daarnaast heeft hij nog een wee, damesroman-achtig taaltje tot zijn beschikking: “Hoe lang geleden dat hij zo met een meisje liep, zo onschuldig!” Daar voegt de verteller dan nog eens ten overvloede aan toe: “Titus had het pertinente gevoel dat hij zweefde in wolken van sterregruis.”

Zo maakt de schrijver zijn eigen personages en hun situatie geregeld belachelijk. Vooral de kunsthistoricus moet het ontgelden, maar ook de hulpverleners en ambtenaren die in het boek voorkomen kunnen geen seconde serieus genomen worden, hoewel dat anderzijds toch wel weer de bedoeling lijkt. Hier en daar wordt Marietje - de kunsthistoricus proeft deze burgerlijkste aller namen gelukzalig op de tong en zou de hele stad wel vol willen schilderen met het heerlijke Marietje! Marietje! - wel aardig getypeerd, er staan wel enkele vermakelijke scènes in het boek, maar het geheel heeft sterk te lijden gehad onder de besluiteloosheid van de auteur.

    • Marjoleine de Vos