Weggedrukt naar de stoffige Gran Chaco

De economische ontwikkeling van Zuid-Amerika gaat onvermijdelijk ten koste van de Indianen en de natuur.

In Ecuador vindt een grotere olievervuiling plaats dan met de ramp van de Exxon Valdez - midden in het regenwoud.

En nu de grote centrale hoogvlakte Gran Chaco wordt opgelegd delven de Indianen het onderspit.

De natuurbescherming en indianen vormen samen een verbond. Maar ook als de overheid goedwillend is, staat zij vaak machteloos.

P.W. Stunnenberg, Entitled to Land. The Incorporation of the Paraguayan and Argentinean Gran Chaco and the Spatial Marginalization of the Indian People.

Verlag Breitenbach Publishers, Saarbrücken, Fort Lauderdale. 1993. 277 blz. Prijs: DM 46,-. ISBN 3 88156 595 7

Over de hele wereld hebben inheemse volkeren grote stukken van hun oorspronkelijke leefgebied moeten prijsgeven toen hun gebieden geïntegreerd raakten in de economie. Regeringen vonden hun manier van produceren inefficiënt. Daarom stimuleerden zij kolonisten en mijnbouwondernemingen om de gebieden te gaan exploiteren. Dat leverde de schatkist meer geld op. Het land stond nog op niemands naam en kon gemakkelijk uitgegeven worden. Met de leefwijzen van de oorspronkelijke bewoners werd geen rekening gehouden.

Heel wat inheemse volkeren hebben zo het loodje gelegd. Van de vele duizenden resteren er nog enkele honderden. In de jaren zeventig en tachtig is de (internationale) belangstelling voor deze bedreigde volkeren sterk toegenomen. Zo werd 1993 uitgeroepen tot het Jaar van de Inheemse Volkeren.

Veel landen met inheemse volkeren binnen hun landsgrenzen zijn een zogenaamde "indigenistische politiek' gaan voeren om de positie van de inheemse volkeren te verbeteren. Landrechten staan daarin centraal.

Paraguay en Argentinië zijn twee voorbeelden van landen die in de jaren tachtig zo'n beleid zijn gaan voeren met betrekking tot de Indianen in de Gran Chaco. Op een proefschrift over de effecten van dat beleid promoveerde vorige maand de Nijmeegse ontwikkelingsgeograaf Peter Stunnenberg.

De Gran Chaco is een desolaat, droog, warm en stoffig gebied dat zich uitstrekt over Noord-Argentinië, West-Paraguay en Zuid-Bolivia. Het is anderhalve keer zo groot als Frankrijk en er wonen ruim vierhonderd Indiaanse gemeenschappen. Vanwege het onherbergzame karakter hebben blanke kolonisten het eeuwenlang links laten liggen en konden de Indianen ongestoord hun gang gaan. Zij leefden van de jacht, de visvangst en het verzamelen van vruchten en wortels. Op kleine schaal bedreven ze zwerflandbouw. Om zich een bestaan te verwerven moesten ze regelmatig verhuizen. Hun semi-nomadische bestaanswijze legde een groot beslag op de ruimte.

Sinds eind vorige eeuw is hun leefruimte steeds verder ingeperkt. Langzaam is het oprukkende kolonisatiefront over de Gran Chaco heengeschoven. Missionarissen en zendelingen trokken als eersten het gebied in, gevolgd door houtkapondernemingen, Mennonieten en veeboeren.

Aan de minder droge oostkant van de Gran Chaco gingen houtkapondernemingen op grote schaal quebracho bomen kappen. Die bleken 15 tot 30 procent tannine te bevatten, een grondstof voor leerlooierijen waar toen veel vraag naar was. Voor de afvoer van hout werden spoorlijntjes aangelegd, voor de verwerking werden fabrieken gebouwd, die weer werden gesloten als de bossen leeggekapt waren. Aan herbebossing werd niet gedaan. Na de Tweede Wereldoorlog zakte de tannineindustrie in elkaar. De quebracho was schaars geworden en had in de mimosa uit Afrikaanse landen een geduchte concurrent gekregen.

Mennonieten

In de jaren twintig, dertig en veertig vestigden zich midden in de Gran Chaco grote groepen Mennonieten uit Canada en Rusland. Deze volgelingen van de Zwitserse hervormer Zwingly en de Friese priester Menno Simons - aan wie ze hun naam danken - werden daar vervolgd omdat ze in hun afkeer van wereldse autoriteiten niet in militaire dienst wilden en weigerden belasting te betalen. Zij waren op zoek naar een gebied waar ze in afzondering en vrede konden leven. Op uitnodiging van de Paraguayaanse regering vestigden zij zich in de "lege' Gran Chaco. Daar gingen ze zich met landbouw en veeteelt bezighouden.

Vanaf de jaren dertig maakte de veeteelt in vrijwel de hele Gran Chaco een enorme groei door. De strijd om weidegronden (en het gerucht dat er olie in de grond zat) leidde in 1932 zelfs tot de Gran-Chaco-oorlog tussen Paraguay en Bolivia. Die kostte 150.000 soldaten het leven. De meesten stierven niet op het slagveld, maar kwamen om van de dorst.

De openlegging van de Gran Chaco en de incorporatie van het gebied in de nationale en internationale economie betekenden een regelrechte aanslag op de bestaansbasis van de Indianen. Ze werden weggedrukt naar de slechtste gebieden waar blanke kolonisten geen belangstelling voor hadden en moesten hun traditionele leefwijze opgeven. Alleen door zich te verhuren als slecht betaald dagloner, konden ze overleven.

Recht op land

In de jaren tachtig vaardigden de Paraguayaanse en Argentijnse overheden wetten uit die het mogelijk maakten dat de Indianen collectief eigendom verwierven. Recht op land werd immers gezien als de sleutel tot verbetering van de positie van de Indianen. Stunnenberg heeft onderzocht of er tot op heden sprake is van zo'n positieverbetering.

Hij deed daarvoor onderzoek in zes Indiaanse gemeenschappen die elk een andere bezitsverhouding tot het land hebben. Sommige leven op het land van particuliere grondeigenaren, overheden of in officiële reservaten, andere op het land van niet-gouvernementele, veelal kerkelijke organisaties die land voor de Indianen hebben aangekocht of hebben land in individueel of collectief eigendom.

Indianen die leven op particuliere of overheidsgronden zijn het slechtste af. Deze grondeigenaren gaan land waarop Indianen wonen steeds meer zelf gebruiken. Indianen worden sinds de nieuwe wetgeving zelfs minder getolereerd omdat ze aan hun verblijf rechten kunnen ontlenen. Indianen in officiële reservaten zijn iets beter af, maar blijken geen enkele legale bescherming te hebben tegen het illegale gebruik van hun land door veeboeren. Indianen die collectief of individueel land in eigendom hebben, zijn er beter aan toe. Maar ze blijken veelal te weinig land te hebben om van te leven, of ze hebben land van zeer slechte kwaliteit: slechte bodems, geen water, ongunstig gelegen. Slechts een kwart van de Indianen heeft overigens land in eigendom. De Indianen bevinden zich volgens Stunnenberg in een "uiterst precaire economische situatie'. Hun traditionele bestaanswijze hebben ze moeten opgeven en goede alternatieven zijn er niet.

Verlengstuk

Dat zo weinig Indianen gebruik hebben kunnen maken van hun formele rechten op land, komt volgens Stunnenberg door hun gebrek aan kennis van de complexe wetgeving die gebaseerd is op niet-Indiaanse principes en uitgevoerd wordt door niet-Indianen. De speciaal opgerichte organisaties die de wetten moeten uitvoeren kwijten zich volgens Stunnenberg slecht van hun taak en beschikken over onvoldoende geld en goed geschoold personeel. Maar ondanks die beperkingen zouden ze veel meer kunnen doen. Dat dat niet gebeurt komt doordat ze een verlengstuk zijn van een regering die land ziet als een hulpbron voor economische ontwikkeling en vindt dat Indianen het land niet produktief gebruiken.

Daarnaast speelt ook het gebrek aan leiderschap bij de Indianen zelf een rol. Veel gemeenschappen desintegreren en zijn zwak georganiseerd. Om in aanmerking te komen voor collectief eigendom moeten ze een status van rechtspersoon en een leider hebben. Dat leidt vaak tot langdurige conflicten.

Het grootste probleem is echter dat er weinig goed land meer over is. Het meeste land is al eigendom van anderen.

De Indianen die leven op land dat niet-gouvernementele organisaties voor hen gekocht hebben zijn er economisch het beste aan toe. Zo hebben de Mennonieten ruim 100.000 hectare grond gekocht voor twaalf Indiaanse gemeenschappen. Voor hen zijn ontwikkelingsprojecten opgezet op het terrein van landbouw, onderwijs en gezondheidszorg. Ze hebben het land weliswaar niet in eigendom, maar ze hoeven niet bang te zijn dat ze van het land gezet worden en hun leefomstandigheden zijn flink verbeterd. Wel blijven ze in een afhankelijke positie verkeren. De niet-gouvernementele organisaties zeggen dat ze het land op den duur willen overdragen, maar maken daar nog weinig werk van. De Indianen zijn daar in hun ogen nog niet rijp voor.