Termijnhandelaren in beroep tegen sluiting door Financiën

DEN HAAG, 21 OKT. Vijf van de zeven goederentermijnfirma's die vorig jaar op last van het ministerie van financiën hun deuren moesten sluiten verzetten zich tegen deze beslissing. Dat bleek gisteren tijdens een zitting van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven in Den Haag.

De vijf hebben een procedure tegen de minister van financiën aangespannen. Aspen Future (Haarlem), Inter Invest (Amsterdam), Abbenhuis en Molenaar Trading (Amsterdam), Pelham Trading Company (Haarlem) en Hofstee en Van der Laan (Haarlem) vinden dat de redenering die het ministerie destijds gebruikte om het intrekken van de vergunning van de termijnhandelsbedrijven te verdedigen niet deugt. Financiën ontnam deze vijf en twee andere bedrijven hun vergunning om te bemiddelen bij de handel in termijncontracten omdat ze “stelselmatig het belang van klanten hebben achtergesteld bij dat van hun eigen onderneming” en “onbetrouwbaar en ondeskundig” waren. Volgens Financiën was het bedrag dat de cliënten van de firma's op jaarbasis moesten betalen aan provisie dermate hoog dat de kans op een positief beleggingsresultaat nihil was.

Volgens mr. S.C. de Lange, advocaat van Inter Ivest, hebben de termijnhandelaren niet de gelegenheid gekregen hun kritiek op de redenering van het ministerie te geven. “Het is moeilijk aan te geven wanneer een termijnhandelaar te veel transacties uitvoert. Het ministerie had naar regelgeving in de VS en Groot-Brittannië moeten kijken en niet een eigen manier van berekenen moeten introduceren”, aldus De Lange. Volgens de berekeningen van Financiën ging 55 procent van het door beleggers ingelegde bedrag op aan provisiekosten. De handel in goederentermijncontracten was bovendien in een kwaad daglicht komen te staan door de agressieve telefonische verkoopmethoden.

De termijnhandelaren vinden dat ze door het ministerie “het bos ingestuurd” zijn. Ze doelen daarmee op de onduidelijke situatie die is ontstaan doordat hun vergunning werd ingetrokken toen de Wet Effectenhandel nog van kracht was, terwijl sinds 15 juni 1992 het regime van de Wet Toezicht Effectenverkeer geldt. Een van de consequenties van deze nieuwe wet is dat Financiën niet langer toezichthouder is van de termijnhandel maar de Stichting Toezicht Effectenverkeer. De vraag is nu of ministerie of stichting verantwoordelijk is voor de afhandeling van het beroep van de termijnhandelaren. De nieuwe wet voorziet niet in deze situatie.

Het college van beroep zal zich eerst beraden op de vraag of de minister in september vorig jaar wel bevoegd was zich uit te spreken over het beroep van de termijnhandelsfirma's. Financiën heeft dit beroep behandeld als een bezwaarschrift en het na een hoorzitting verworpen. Mocht het college van mening zijn dat de minister bevoegd was in deze zaak, dan zal het zich kunnen buigen over de inhoudelijke kant van de zaak.

“Ik vrees dat het college zal zeggen dat de minister destijds niet bevoegd was”, zegt De Lange. “Dan is het college van deze zaak af en komen we in een moeras. Het college kan zeggen dat we na de afwijzing van het ministerie een vergunning bij de Stichting Toezicht Effectenverkeer hadden moeten aanvragen.”Volgens de raadsman zou dat dat “zonde van het papier” zijn. “Bij voorbaat stond al vast dat de stichting negatief zou beschikken omdat de firma's van het ministerie het brandmerk onbetrouwbaar en ondeskundig hadden gekregen.”