Pretentieloos dansen op de dorpsmarkt

Holland Dance Festival in Den Haag. Gezelschappen: 1. Batsheva Dance Company met Mabul. Choreografie: Ohad Naharin. Gezien: 19/10 AT&T Danstheater 2. Leigh Warren and Dancers met Fast Yarns en Helix (Gothic variations). Choreografie: Leigh Warren. Gezien: 20/10 Theater a/h Spui. Aldaar: 21/10.

De Batsheva Dance Company gaf in het Holland Festival 1992 slechts één voorstelling van Mabul. Die choreografie van de artistiek leider Ohad Naharin werd zó goed ontvangen, dat het Holland Dance Festival het Israëlische gezelschap uitnodigde met dezelfde produktie.

Destijds werd Mabul uitvoerig in deze krant besproken. Maar opnieuw kreeg dit intrigerende werk een staande ovatie van het publiek. Dat liet zich, zoals de kinderen van Hameln, betoveren door de magiër Naharin. Die voert deze keer zelf zijn dertien dansers aan. Gespeend van elke ijdelheid gaat hij hen voor in de rijdans, is het middelpunt van de cirkel en leidt bewonderenswaardig de solo- en koorzang.

Het verfijnde Nisi Dominus en Stabat Mater van Vivaldi contrasteert met Naharins ongepolijste, expressionistische bewegingsidioom. Daarmee schept hij een sfeer van troosteloosheid en dreiging. Maar de choreograaf beschouwt zijn dansers dan ook als jagende panters, mooie mensen die van hem vooral niet mooi mogen bewegen: 'anders wordt het allemaal zo lief'.

Dat zoetstofgehalte ligt juist hoog bij het Australische gezelschap Leigh Warren and Dancers. De artistiek leider van deze jonge moderne dansgroep, Leigh Warren, maakte als lid van het Nederlands Dans Theater in 1983 het ballet Foot notes. Een luchtig, kluchtig gevalletje dat vrijwel unaniem de grond werd ingeboord. 'A disaster', noemt de choreograaf die schepping nu.

Maar ook zijn meer recente werk lijkt van een vreemde planeet te komen. Aanvankelijk zou Warren - oud-artistiek directeur van het Australian Dance Theatre in Adelaide - zijn reïnterpretatie van Petrouchka vertonen. Om theatertechnische redenen was dat in de kleine zaal van Theater a/h Spui niet haalbaar. Derhalve werd gekozen voor de choreografieën Fast yarns en Helix (Gothic variations).

Fast yarns gaat over de vertelkunst, zoals die door de moderne Australiër is overgenomen van de aboriginals. In de noordelijke hoofdstad Darwin worden wedstrijden georganiseerd in het zogenaamde "yarn spinning'. Uitgesponnen vertelt men er elkaar zelf verzonnen, meest humoristische verhalen die de band met de geboortegrond moeten versterken.

Dat competitie-element is herkenbaar in de choreografie. In wisselende, speelse duetten proberen drie paren elkaar te overtroeven. De meisjes - Michele Buday, Kim Hales-McCarthur en Delia Silvan - kijken en bewegen verleidelijk of uitdagend grappig. De jongens - Victor Bramich, Aidan Kane Munn en Paul O'Sullivan - belichamen het type ruwe-bolster-blanke-pit. Het is vrolijk, pretentieloos dansen op de dorpsmarkt.

Voor Helix (Gothic variations) ontwierpen Stefan Kahn en Michael Geissler een enorme uitgerekte metalen veer als decor. Jammer genoeg betrekt de choreograaf dit mooie object nauwelijks in zijn werk. De redelijk getrainde dansers bewegen zich in de solo's, duetten en trio's voornamelijk op een smalle strook tussen twee bogen. Het speelse perspectief van de beeldende kunstenaars gaat nu verloren.

Warrens bewegingstaal, een mengelmoes van het klassieke en moderne idioom, is vreselijk gedateerd. Daarbij komt dat hij slaafs de partituur van Bachs vioolsolo's volgt. Op elk muzikaal accent gaat er automatisch een hand of voet omhoog. Leigh Warren verkeert weliswaar in een geïsoleerde positie, maar je mag toch veronderstellen dat ook in Australië de nieuwe ontwikkelingen binnen de danskunst doorsijpelen.