Politicus en ambitie

In haar deze week verschenen memoires citeert Margaret Thatcher de Britse staatsman uit de achttiende eeuw William Pitt, graaf van Chatham die ooit de legendarische woorden sprak: “Ik weet dat ik dit land kan redden en dat niemand anders dat kan.” Thatcher noemt het "verwaand' zichzelf met de grondlegger van het Britse wereldrijk te vergelijken, maar voegt er wel aan toe dat de opgewektheid aan de vooravond van haar premierschap dat in 1979 begon, voortkwam uit "een vergelijkbare innerlijke overtuiging'.

Hier lachen we om dit soort stelligheden, maar zou enige jaloezie niet beter zijn? Wanneer zegt een Nederlandse politicus nu eindelijk eens dat alleen hij of zij het land kan redden? Denken zullen een heleboel het, maar hardop zeggen? Nooit. De doorsnee Nederlandse politicus durft nog niet toe te geven dat hij het land wil gaan leiden, laat staan te zeggen dat hij de beste is. Een politicus aan het Binnenhof de vraag stellen of hij uiteindelijk minister-president wil worden, staat gelijk aan de vraag of hij wel eens naar een bordeel is geweest. Een rechtstreeks antwoord blijft dan ook vrijwel altijd uit.

Een mooie illustratie van die valse bescheidenheid toonde D66-fractievoorzitter Van Mierlo vorige week in het praatprogramma van Ischa Meijer. Of Van Mierlo wel eens gedroomd had van het premierschap, wilde Ischa weten. Wat volgde was een hoop gesteun, gezucht en gedraai waarna eindelijk het hoge woord eruit kwam: “Het is niet zo dat ik graag premier van Nederland wordt. Maar het is wel zo dat het mogelijk zo loopt.” Ja, hij moest er wel eens rekening mee houden dat het zich zou kunnen voordoen, maar de aanvoerder van Nederlands snelst groeiende partij beschouwde het niet als een bekroning van zijn werk. Of het dan wellicht eervol was? In die termen had hij er nog nooit over nagedacht.

Leuk voor de kiezers, die "honger naar de bal'. Maandenlang wordt hun voorgehouden dat het een burgerplicht is te gaan stemmen. Dagelijks bedelen de lijsttrekkers om de gunst van de kiezer. Maar krijgen zij de tegenvraag of ze met het mandaat waarom ze verzoeken persoonlijk het land willen leiden, dan komt er slechts een besmuikt gemompel waarin de woorden "niet ter zake doende' of "niet aan de orde' een vast bestanddeel vormen.

In het geval van Van Mierlo zou nog gezegd kunnen worden dat zijn partij al sinds de oprichting voor de gekozen minister-president is en dat Tweede Kamerverkiezingen over iets anders gaan. Maar dan nog. D66 draait mee in het huidige systeem, waarin de grootste partij in een coalitie doorgaans de premier levert. Een politieke partij die zichzelf, of althans de kiezers serieus neemt, wil de grootste worden en moet dus rekening houden met het premierschap. Wie daar niet over nadenkt, dan wel verrast doet als de vraag wordt gesteld, verdient die functie ook niet.

Het trieste is dat Van Mierlo slechts een voorbeeld uit velen is. Ooit het idee gehad dat Lubbers met tegenzin heeft geregeerd? Hij zou eigenlijk "dolgraag' willen doorgaan, liet hij nog begin dit jaar weten. Vergelijk het eens met de Lubbers die in 1982, nadat Van Agt midden in de kabinetsformatie plotseling had afgehaakt, de vraag kreeg voorgelegd of hij in was voor het premierschap. Ten opzichte van zijn kandidatuur nam hij "een positieve grondhouding' aan, luidde het inmiddels vermaard geworden antwoord. Kon het nog zuiniger? De portefeuiile ontwikkelingssamenwerking had Lubbers vijf jaar eerder beledigd van de hand gewezen, als zijnde te min voor een gewezen minister van economische zaken. Maar het premierschap werd een paar jaar later daarentegen kreunend aanvaard.

Met zijn waarschijnlijke opvolger Brinkman is het al niet veel anders gesteld. Aan alles is te merken dat deze staat te trappelen van ongeduld om zijn intrek in het Torentje te nemen. Na zijn lange stage-periode heeft hij zin in het echte werk. En geef hem eens ongelijk. Op zijn 31ste reeds directeur-generaal van het ministerie van binnenlandse zaken, op zijn 34ste minister, en op zijn 41ste fractievoorzitter van het CDA. Al op zeer jeugdige leeftijd zag hij voor zichzelf een bestuurlijke carrière weggelegd. Aanvankelijk leek burgemeester hem wel wat, maar eenmaal topambtenaar op binnenlandse zaken vond hij minister worden nog leuker. Wat is er tegen dat iemand met een dergelijke instelling, inmiddels beland in een positie dat het tot de reëele mogelijkheden behoort, er rond voor uitkomt dat hij graag minister-president wil worden? Brinkman heeft stilzwijgend geacepteerd dat hij is voorbestemd. Maar nog nooit heeft hij zich laten ontvallen het minister-presidentschap te ambiëren. Zijn standaardantwoord is: “Ik ben bezig met de inhoud van de politiek.”

Het zijn van politicus en het hebben van ambitie horen bij elkaar, maar haast niemand durft daar rond voor uit te komen. Eenmaal op de begeerde post beland beschouwt de bestuurder zichzelf als ingehuurd. Het is weer dat nodeloze kleineren van het eigen werk. Hoe graag ze hun werk doen, blijkt helaas pas als politici noodgedwongen wegmoeten, of niet meer gevraagd worden. Hans Wiegel had enkele maanden geleden zoals hij toen zelf zei “geen enkele hunkering retour residentie”. Geen hunkering? Nog steeds is Wiegel boos op zijn partijgenoten die deze mededeling letterlijk hebben genomen en hem niet hebben gevraagd terug te keren.

Het is niet zozeer valse bescheidenheid die de meeste politici tonen over hun werkelijke ambities, als wel verkeerde bescheidenheid. De politiek staat slecht aangeschreven. De één beweert dat dit altijd al zo is geweest, de ander meent dat de kloof tussen kiezer en gekozene groter is geworden. Wie er gelijk heeft doet er niet toe. Van belang is slechts dat leidinggevende politici met hun quasi-onverschillige houding ten aanzien van het leiderschap het bestaande dedain louter versterken. Als zelfs de daarvoor in aanmerking komende personen niet staan te springen om het premierschap (dat wil zeggen: die houding uitstralen, want ze willen in hun hart allemaal) wat moeten de kiezers dan wel niet denken? De publieke zaak vraagt om mensen die een bestuurlijke post zien als een functie die men graag en vol overgave wil bekleden. Het land willen redden is misschien te veel gevraagd, maar het land willen leiden is echt geen ongezond streven.

    • Mark Kranenburg