Pastoor en isoleercel als uiterste middel

AMSTERDAM, 21 OKT. “Natuurlijk, de spanning kan hier ieder moment hoog oplopen. Maar dat is de uitdaging van deze baan.” M. Pronk, sinds 1 september directeur van het grenshospitium voor kansloze asielzoekers in Amsterdam, geeft toe dat hij lang aarzelde voordat hij de hoogste post aanvaardde van “het instituut waarover ik wel het een en ander in de pers had gelezen.”

En die berichten waren zelden positief. In de anderhalf jaar dat het hospitium bestaat, liep de spanning onder de bewoners herhaaldelijk op. Er waren opstandjes, brandstichtingen en demonstraties. Ook onder het personeel ontstonden conflicten. Onderling is er veel haat en nijd, zo blijkt uit gesprekken met zogeheten vreemdelingenbegeleiders.

“Die spanning onder het personeel is er”, beaamt Pronk. “Daarom hebben we nu vier afdelingen in plaats van twee. Er zijn twee afdelingshoofden bij gekomen en alle hoofden zijn zo veel mogelijk op de werkvloer. Zo kunnen ze toezien en sturen als er conflicten ontstaan.” Over de toekomst van de in opspraak geraakte adjunct-directeur E. Politiek, die het personeel tegen elkaar zou uitspelen, is Pronk kort. “Ik heb van collega's gehoord dat er iets aan de hand was. Daar hebben we over gesproken. Voorlopig blijft hij.”

Voor de spanning onder de bewoners van het grenshospitium heeft Pronk geen oplossing. “Die is inherent aan het instituut. Maar ik kan de spanning wel sturen, bijvoorbeeld door gesprekken met de pastoor, de imam of de dominee. In het uiterste geval zetten we mensen hier in de isoleercel en in het alleruiterste geval sturen we ze door naar een gevangenis.”

Pronk, tot nu toe werkzaam bij de Directie Vreemdelingenzaken van Justitie, volgt R. Hofstee op die per 1 november vorig jaar vervroegd vertrok wegens verschil van inzicht met Justitie over het toen gevoerde beleid. De nieuwe directeur stelde zich gisteren voor aan de pers. Na een korte persconferentie in de personeelskantine, waarin hij openheid van zaken beloofde, gaf Pronk een rondleiding door het hospitium. Langs de bibliotheek, de gebedsruimte (“zo omgetoverd van kerk tot moskee - die pijl op het plafond wijst naar Mekka”), de recreatieruimte en de gymzaal “die in het weekend ook dienst doet als disco en bingo”.

“We hebben voor de bewoners zeven dagen per week een doorlopend programma”, licht Pronk toe. “Anders dan in een gevangenis ga je hier niet op slot na de arbeidstherapie.” Hij wil het hospitium, ondanks de zwaarbewaakte voordeur, dan ook geen gevangenis noemen. “Het is een huis dat je niet mag verlaten, maar dat veel faciliteiten biedt. Het regime is zo licht mogelijk, want het gaat niet om criminelen maar om asielzoekers.” Toch geeft hij toe dat als je de bewoners vraagt "Hoe heb je het hier?' “negen op de tien zal zeggen "klote'. Al laat je ze gouden kralen maken, ze willen Nederland in.”

Dat willen de asielzoekers zelf graag bevestigen. Ze laten hun voetbal op het kunstgrasveldje in de steek en drommen rond het bezoek. “Het is een gevangenis”, roept de een. “Erger”, zegt de ander. “Als je eruit komt wacht de doodstraf.” Abel Moses uit Soedan rekent op dat laatste. “Ik ben christen”, zegt hij wijzend op het gouden kruisbeeld om zijn hals. “Daarom ben ik mijn land ontvlucht. Als ik terug gestuurd word, ben ik dood.” Hij deelt zijn kamer met een Libanees. “Hij spreekt wel Engels, maar wat zal ik hem zeggen?” Nee, het grenshospitium is niet wat hij zich van Nederland had voorgesteld. “Telkens vraag ik me af "Waarom ben ik hier terecht gekomen?' ”