Partnership

DE KOMENDE TOP van de Noordatlantische Verdragsorganisatie kan nauwelijks nog verrassingen opleveren nu de Verenigde Staten bij monde van minister van defensie Les Aspin hun kaarten op tafel hebben gelegd. Van opneming van Oosteuropese landen in de NAVO zal (nog) geen sprake zijn. Verklaarde voorstanders van uitbreiding van het bondgenootschap zoals Aspins Duitse ambtgenoot Volker Rühe moeten zich tevredenstellen met een voornemen tot consultatie en afstemming van oefenschema's voor vredesoperaties met Oosteuropese landen die daarin belangstellen.

Ondanks de tijdens een ministersbijeenkomst in Travemünde getoonde omzichtigheid is de weg die de NAVO wenst in te slaan niet van risico's ontbloot. Het is één ding om landen buiten de verdragsorganisatie een “begrensd militair partnership” aan te bieden, ondermeer inhoudende wederzijdse raadpleging indien de Oosteuropese "partner' zich door derden bedreigd voelt. Het is iets geheel anders indien de daad bij het woord moet worden gevoegd en de vraag zich aandient of een territoriale schending al dan niet gezamenlijk moet worden bestreden.

De ervaring met de bemoeienis van de NAVO met Bosnië is weinig bemoedigend. Weliswaar doet de organisatie keurig wat er van haar wordt gevraagd, maar de lidstaten hebben dan ook het Kleinste Gemene Veelvoud tot leidraad van hun handelen gemaakt. Voor bedreigde Oosteuropese "partners' zal dat vermoedelijk net niet voldoende zijn. En voor de saamhorigheid in de NAVO al te veel.