Nieuw-Zeeland deed wat wij moeten doen

Tot 1985 was Nieuw-Zeeland een van de meest gereguleerde en verstopte economieën van de westerse wereld. Maar daarna zorgden spectaculaire deregulering en privatisering voor lage inflatie, afnemende werkloosheid en meer economische groei. Vandaar dat er gisteren op het Haagse ministerie van financiën een seminar werd gewijd aan de lessen van Nieuw-Zeeland.

Wanneer de miljoenennota wordt geteisterd door gebrek aan inspiratie, is het misschien tijd voor ideeën uit het buitenland. Uit Nieuw-Zeeland bij voorbeeld dat vóór 1985, net als Nederland nu, een van de meest gereguleerde economieën van de westerse wereld had. The Economist noemde Nieuw-Zeeland destijds het Polen van de Pacific. Inderdaad stond het in veel opzichten dichter bij de centraal geleide economieën van het toenmalige Oost-Europa dan bij de markteconomieën van de OECD. Drie decennia van omvangrijke overheidssubsidies, zeer hoge belastingtarieven en een uitbundig stelsel van sociale zekerheid, hadden voor een vastgelopen economie gezorgd. Structureel was de groei veel te laag: hadden Nieuw-Zeelanders in de jaren vijftig na Amerika nog het hoogste inkomen per hoofd, dertig jaar later was Nieuw-Zeeland gezakt naar de negentiende plaats van de geïndustrialiseerde wereld. Daarnaast was de inflatie hoog: gemiddeld circa 14 procent in de tien jaar vóór 1985.

Het tij begon te keren toen in 1984 een socialistische regering aan de macht kwam. Deze regering, en in het bijzonder de minister van financiën, Roger Douglas, zette de eerste lijnen uit voor het meest omvangrijke herstructureringsprogramma van de westerse wereld: Rogernomics. De hervorming van de Nieuw-Zeelandse economie omvatte niet alleen traditionele maatregelen bij krimpende produktie en hoge inflatie, zoals het verlagen van de overheidsuitgaven, het verlagen van de belastingen en het beperken van de inflatie, maar bovenal een enorm dereguleringsprogramma. In Nederland daarentegen, waar in die tijd ook veel over deregulering werd gepraat, werd en wordt zo'n programma niet uitgevoerd, en vertrouwt men op het gebruik van loonmatiging als middel tegen alle kwalen, structureel of niet.

Het Nieuw-Zeelandse programma omvatte onder andere het liberaliseren van alle financiële markten en het privatiseren van bijna alle staatsbedrijven. Voorts werd een fors deel van de overheidssubsidies verminderd, om te beginnen de landbouwsubsidies. Vóór 1985 ontving de gemiddelde boer in Nieuw-Zeeland 33 procent van zijn inkomen in de vorm van subsidies, minimumprijs-regelingen en andersoortige overheidssteun. Dat was toen ongeveer evenveel als een boer in Nederland ontving. Drie jaar later was de overheidssteun in Nieuw-Zeeland tot nul gereduceerd. Het afschaffen van de subsidies leidde aanvankelijk tot een forse inkomensdaling bij de boeren maar leidde er ook toe dat kleine, inefficiënte bedrijven opgedoekt werden en er veel grotere efficiënte boerenbedrijven ontstonden. Als gevolg van deze maatregelen zijn de Nieuw-Zeelandse boeren momenteel de meest concurrerende in de wereld. In Nederland daarentegen, zijn boeren nu voor 50 procent van hun inkomen afhankelijk van overheidssteun. Daarmee is de kracht van boeren in Nederland om internationaal te concurreren nog minder geworden.

Het strenge beleid van de socialistische regering-Lange leidde weliswaar tot een daling van de inflatie van 16 procent in 1985 tot circa 6 procent in 1988, maar de economische groei herstelde zich niet. Bovendien begon de werkloosheid in Nieuw-Zeeland als gevolg van dit anti-inflatoire beleid op te lopen. Bij de verkiezingen van 1989 werd de Labour Party dan ook massaal verslagen door de meer conservatieve National Party. De nieuwe regering bezweek niet voor populistische verleidingen, maar zette het strenge fiscale en monetaire beleid van de socialisten voort en vulde het aan met structurele maatregelen die in het algemeen gericht waren op grotere verantwoordelijkheid en keuzevrijheid voor de burger en minder steun voor bedrijven. De maatregelen blonken vaak uit door hun creativiteit en frisheid. In diezelfde periode koos Nederland bovenal voor loonmatiging, met aanvankelijk positieve effecten. De invloed van belangengroepen maakte in die tijd een structureel ingrijpen in sociale zekerheid en arbeidsmarkt onbespreekbaar.

Het programma van de Nieuw-Zeelandse regering betekende om te beginnen dat er vanaf 1990 veel meer staatsondernemingen werden geprivatiseerd. Alleen in 1990 werden er al 14 verkocht. Telecommunicatie, hypotheekgaranties, particuliere huisvesting en luchtvaart werden niet langer beschouwd als taken van de overheid.

Ook in de gezondheidszorg en het onderwijs is de eigen verantwoordelijkheid van de burgers vergroot. Tot 1990 kende Nieuw- Zeeland de zogenaamde public health service waarbij de gezondheidszorg geheel "kosteloos' werd verstrekt: free care for all. Sinds 1990 moeten patiënten met hoge inkomens gewoon voor alles zelf betalen. Tegelijkertijd zijn de mogelijkheden voor particuliere gezondheidszorg uitgebreid. De publieke en private gezondheidszorg moeten gezamenlijk concurreren om de middelen van de overheid. Bovendien kunnen patiënten zelf kiezen door wie ze geholpen willen worden. Als de particuliere gezondheidszorg bepaalde zaken sneller en goedkoper kan oplossen dan de publieke gezondheidszorg, gaat het geld naar de particuliere sector. Concurrentie zorgt zo voor kwaliteitscontrole. Hier tegenover staat de Nederlandse situatie, waar de overheid nog steeds denkt te kunnen beslissen wat goed is voor de patiënt, en waar concurrentie tussen leveranciers voor medische diensten nagenoeg verboden is.

In het onderwijs hebben de maatregelen dezelfde strekking. Zo heeft de overheid recent de scholen in Nieuw-Zeeland volledig zelfstandig gemaakt bij de bedrijfsvoering. Het loon van docenten en onderwijzers wordt niet meer rechtstreeks overgemaakt naar hun bankrekening maar wordt door de overheid gestort in een fonds dat door de school beheerd wordt, waarbij de school de vrijheid heeft om docenten die zich buitengewoon inzetten of zeer goed lesgeven extra te belonen en docenten die het wel geloven te korten op het salaris. Als de schoolleiding merkt dat bij de leerlingen de kennis van bij voorbeeld natuurkunde achterblijft, heeft het binnen de ruimte van het eigen budget de mogelijkheid om een voortreffelijke docent natuurkunde van een andere school aan te trekken en deze extra te belonen.

Verder is in de arbeidsmarkt meer dynamiek geïntroduceerd. Het algemeen verbindend verklaren van arbeidsovereenkomsten is afgeschaft en de pensioengerechtigde leeftijd is verhoogd van 60 naar 65 jaar. Werkgever en werknemer hebben complete vrijheid om te onderhandelen over het arbeidscontract. In Nederland denkt de regering voor de zoveelste keer over het invoeren van een loonmaatregel en maakt ze zich illusies over de werking daarvan. Het afzweren van het algemeen verbindend verklaren van CAO's was tot deze miljoenennota onbespreekbaar in Nederland.

De toegenomen vrijheid in Nieuw-Zeeland strekt zich niet alleen uit tot de particuliere sector maar is ook zoveel mogelijk uitgebreid tot de publieke sector. Overheidsmanagers hebben de nadrukkelijke vrijheid om binnen de ruimte van hun budget hardwerkende werknemers meer te betalen dan werknemers die niet hun best doen. Bovendien worden overheidsmanagers zelf ontslagen als ze een aantal keren hun doelstellingen niet halen. In Nederland is van dit soort maatregelen alleen sprake in commissierapporten die ongebruikt in bureauladen belanden.

De combinatie van sober macro-economisch beleid met een dynamisch micro-economisch beleid heeft vanaf begin jaren negentig in Nieuw-Zeeland vruchten afgeworpen. De inflatie bevindt zich op een niveau van 1 à 2 procent en dat in een land dat een abonnement had op inflatieniveaus van boven de 10 procent. De koppeling van sterk toegenomen onafhankelijkheid van de centrale bank met directe aansprakelijkheid is hier debet aan: als de inflatie boven de 2 procent komt wordt de president van de centrale bank ontslagen. Naast de lage inflatie is er een overschot op de betalingsbalans. De reële economische groei, die de afgelopen vijf jaar niet meer dan 0,5 procent bedroeg, is vorig jaar gestegen tot 3 à 4 procent, en dat temidden van een wereldwijde recessie. De werkloosheid is de laatste twee kwartalen afgenomen. Daarnaast zijn de groeiverwachtingen voor de komende jaren goed.

Als gevolg van de herstructurering van de economie is Nieuw- Zeeland erin geslaagd het exportpakket belangrijk te verbreden. Traditioneel dreef de export van Nieuw-Zeeland hoofdzakelijk op de uitvoer van koeie- en schapevlees. Anno 1993 bestaat een kleine 30 procent van de uitvoer uit nieuwe, hoogwaardige produkten met een hoge toegevoegde waarde.

Acht jaar moedig socialistisch en conservatief beleid hebben Nieuw-Zeeland veranderd van een starre, overgereguleerde maatschappij in een gedereguleerde maatschappij vol groeidynamiek, waar burgers kunnen kiezen en meer verantwoordelijk zijn voor zichzelf. Wat dat betreft is Nieuw-Zeeland opnieuw het Polen van de Pacific.

Net als Nieuw-Zeeland is Nederland een kleine, open economie die voor een groot deel afhankelijk is van de handel met het buitenland. Bovendien heeft Nederland evenals Nieuw-Zeeland een relatief eenzijdig exportpakket. Echter, waar Nieuw-Zeeland erin slaagde binnen acht jaar de koers van de economie belangrijk te veranderen en haar groeikracht te vergroten, blijft Nederland achter en neemt de werkloosheid weer fors toe. In Nederland zijn op indrukwekkende wijze de afgelopen jaren de lonen gematigd met aanvankelijk zeer positieve werkgelegenheidsresultaten. Het omvangrijke stelsel van sociale zekerheid en hoge belastingen dat arbeid onnodig duur houdt, is echter tot voor kort nagenoeg intact gebleven. Bovendien heeft de Nederlandse arbeidsmarkt zoveel ingebouwde rigiditeiten dat deze niet flexibel kan reageren op nieuwe ontwikkelingen. Het gevolg is dat als het economische tij even tegen zit, de voordelen van zoveel jaren loonmatiging weer als sneeuw voor de zon lijken te verdwijnen.

Als het Nieuw-Zeelandse experiment een les inhoudt voor Nederland, dan is het wel dat een sober macro-economisch beleid slechts langdurig aanslaat als het ondersteund wordt door verstandig micro-economisch beleid. Helaas is daarvan weinig te bespeuren in de recente miljoenennota. De regering hanteert opnieuw de kaasschaaf zonder keuzes.